| door J. van ’t Spijker
In het vorige nummer van De Wekker reageerde ds. Siebrand Wierda op mijn artikel “mag het ook gewoon …”. In dat artikel voerde ik een pleidooi voor gewoon kerk-zijn wanneer het gaat om evangeliseren. Wierda miste in wat ik schreef het vuur, het elan en een stuk onrust. Hij daagt mij uit om mijn visie concreter te maken! Dat doe ik graag.
Allereerst dit: ik ben het eens met Wierda wanneer hij stelt dat er vandaag de dag in de kerk gesproken en gepreekt moet worden op een manier die verstaanbaar is. Voor mensen die de boodschap (nog) niet kennen moet duidelijk zijn waar het om gaat. Daarom is het goed dat we ons realiseren dat niet alle dingen die we zondag in zondag uit doen en zeggen en horen bekend zijn bij alle mensen.
Ik geef toe dat ook ik daar niet altijd aan denk wanneer ik op de preekstoel sta, en ik ben blij als mensen mij erop wijzen. Juist na Pinksteren mogen we mensen benaderen in hun eigen taal. Het is daarom goed gasten het besef te geven dat ze welkom zijn door hen duidelijk te maken wat we doen tijdens de dienst.
Ik kan ook wat Wierda schrijft in het tweede deel van zijn artikel over missionaire gemeenschapsvorming onderschrijven. Concreet: in Hoogeveen buigen we ons er als kerk over om – samen met andere kerken – gestalte te geven aan de presentie van de kerk in de samenleving. Omdat we juist de mensen die – zoals Wierda schrijft – “nooit een kerkgebouw van binnen hebben gezien” op het oog hebben.
Vuur en elan
Ik ben het dus eens met wat Wierda aanreikt. Daarom reageer ik niet direct inhoudelijk op wat hij schrijft. Wat ik wel doe is zijn uitdaging oppakken om wat ik in mijn eerste artikel schreef concreter te maken. Daarbij denk ik in een heel duidelijke richting. Evangelisatie gaat namelijk veel verder dan dat we aan mensen die binnenkomen het besef geven dat ze welkom zijn, en dat we met hen rekenen in onze erediensten.
Wat ik bedoel? Concreet hoor ik nog al eens dat mensen die – bijvoorbeeld door een ‘Alphacursus’ – tot (een kennismaken met het) geloof komen maar moeilijk aansluiting vinden bij een plaatselijke gemeente.
Hoe komt dat? Juist bij deze vraag wil ik graag zoeken naar mogelijkheden. Daarbij kijk ik niet zozeer naar wat er op officiële momenten (de erediensten) en bij door de kerk georganiseerde activiteiten van een missionair team allemaal gebeurt. Daar ligt voor mijn besef de spits in het artikel van Wierda.
De spits van wat ik bedoel ligt ergens anders. Daarom herhaal ik nog een keer wat ik aan het eind van mijn artikel concluderend schreef: dat de hele gemeente betrokken is in het werk van evangelisatie, omdat dat bij het wezen van de gemeente hoort.
Het Nieuwe Testament laat zien dat het bestaan van de gemeente doordrenkt was van een missionair vuur en elan dat zijn weerga niet kende. Het boek Handelingen geeft wat dat betreft een aantal aanwijzingen. In 2: 47 lees ik dat de gemeente “in de gunst stond bij heel het volk”. En in 5: 13 wordt nog eens gezegd dat de bevolking van Jeruzalem de gemeente “hoog stelde”. Hetzelfde valt op als je de kerk- en zendingsgeschiedenis van de eerste eeuwen er op naleest: met een zich verwonderend respect werd naar de christelijke gemeenten gekeken.
In Handelingen wordt ook duidelijk waar dat door kwam. Er was sprake van een geweldig sterke overtuiging bij de gelovigen. Vol vuur getuigden ze van de redding in Christus. Maar het bleef niet bij woorden alleen. De jonge gemeenten vielen op doordat ze echt met elkaar omgingen in liefde. De liefde van Christus waaruit ze leefden inspireerde hen tot een elkaar liefhebben dat levensechte vormen aannam. De onderlinge liefde – aangestoken door de liefde van Christus en aangewakkerd door het vuur van de Geest – maakte dat men elkaar echt zag en dat men naar elkaar omzag. In concrete daden!
Wanneer ik dat lees, zeg ik: die eerste gemeenten lieten in hun woorden en daden zien dat ze echt gemeente van Christus waren. Ze spraken niet alleen over Christus, maar vertoonden in hun manier van doen – naar binnen en naar buiten toe – dat ze zo met mensen wilden omgaan zoals Jezus tijdens zijn rondwandeling op aarde met mensen was omgegaan.
Concreet
Ik noem als voorbeeld een paar dingen. De gemeente van Jezus Christus vormde een plek waar mensen van alle rangen en standen, van alle nationaliteiten en culturen welkom waren. Of je nou arm was of rijk, slaaf of vrije, Griek of Jood, geleerd of ongeletterd, een voormalige dief of wat ook, je was welkom binnen de kring van de gemeente. Je hoorde erbij, je mocht door het geloof in Jezus deel uitmaken van de gemeente.
In de gemeente van Jezus Christus ontmoetten al die verschillende mensen elkaar en raakten ze aan elkaar verbonden, juist omdat ze verbonden waren geraakt aan de Redder en Verlosser van hun leven, Jezus Christus, die hen bevrijd had van zonde en schuld. Daarom vormde de gemeente een plek waar zondaren – wie ze ook waren en wat ze ook gedaan hadden – een nieuwe start mochten maken. Een heel duidelijk voorbeeld daarvan is Saulus/Paulus: de man die de volgelingen van Jezus te vuur en te zwaard vervolgd had, mocht zijn plaats innemen in de gemeente van Christus. Ik stel me zo voor dat ze samen het Avondmaal gevierd hebben, aan dezelfde tafel: Paulus en familieleden van mensen die door zijn toedoen misschien zelfs wel ter dood gebracht waren …
Onrustig
Deze gegevens alleen al maken duidelijk dat echt gemeente van Christus zijn meer is dan alleen maar praten. De gemeente is, zegt het Nieuwe Testament, het lichaam van Christus en zal dat ook (moeten) laten zien. Ze zal zich in heel haar bestaan (moeten) laten inspireren door de Geest van Christus. Ze zal (moeten) willen handelen in de geest en door de Geest van haar Hoofd. Zodat Christus en zijn manier van omgaan met mensen zichtbaar en tastbaar wordt ...!
Ik vraag: geldt van onze gemeenten dat we zo lichaam van Christus zijn?
Het lijkt me dat we, wanneer het Nieuwe Testament dit laat zien, best wat onrustig mogen worden. Het vraagt namelijk niet alleen om mooie woorden, maar om een concreet elkaar verdragen en accepteren, over alle grenzen heen die ons van elkaar onderscheiden en soms daadwerkelijk scheiden. In een tijd waarin in de politieke ontwikkelingen in ons land de eigen groepsvorming vanuit verschillende hoeken gepropageerd wordt en zich lijkt te versterken, kan en mag, nee, moet de gemeente van Christus laten zien dat in het kruis alle tegenstellingen zijn opgeheven, en dat je allemaal – ondanks alle verschillen die er zijn – “broers en zussen” bent in Gods gezin.
Wanneer de gemeente van Christus zo echt het lichaam van Christus is, dan zou er wat vanuit gaan. Wanneer de gemeente echt zou laten zien dat we de dingen doen (en willen doen) zoals Christus ze ons heeft voorgedaan: dat we echt omzien naar hen die hulp nodig hebben; dat er bij ons echt een plaats is voor mensen die helemaal fout geweest zijn, maar die in Christus vergeving en vernieuwing zoeken; dat wij niet – zoals de samenleving dat meer en meer doet – discrimineren en uitsluiten ..., zou de gemeente dan niet die plek zijn waar mensen die aangetrokken worden door de boodschap van Jezus’ liefde graag deel van uitmaken?
Omdat ze in die gemeente merken en zien dat de liefde van Jezus waarover gesproken wordt ook heel het verdere leven van de gemeente bepaalt en vorm geeft!
Daarom zeg ik: laten we zo vooral concreet kerk zijn. En laten we daar in concrete gemeenteopbouw op inzetten. Zodat wat het Nieuwe Testament van de gemeente laat zien ook vandaag handen en voeten krijgt. Zodat de kerk Lichaam van Christus is en meer zal worden! Omdat dan de kerk één stuk prediking is. In Woord en daad!
(Drs. J. van ’t Spijker is predikant te Hoogeveen en parttime docent Missiologie, Evangelistiek en Urban Mission aan de TUA) |