|
Door C.C. den Hertog
In Apeldoorn wordt veel aandacht besteed aan het preekonderwijs. Alle vakken van de opleiding staan uiteindelijk geschaard rond de verkondiging van het evangelie aan de gemeente. Uitleg van de Bijbel, pastoraat, catechese – alles heeft als doel dat het bevrijdende woord van onze God door mensen vandaag gehoord wordt. Daar zit het besef achter dat het geloof uit het gehoor is en dat in de preek het heil van onze goede God werkelijk bemiddeld wordt. De preek ís nogal wat! In de Reformatie werd beleden: het gepredikte woord van God is het woord van God. Het is goed dat te beseffen: dwars door mensenwoorden heen spreekt God zelf tot zijn gemeente. En het is daarom van het allergrootste belang dat in de opleiding alles gericht staat op dat centrale werk van de predikant.
Er verschijnt veel op het gebied van de preekkunde. Maar in heel die wetenschappelijke bezinning gaat het – voor zover ik kan zien, het is niet mijn vakgebied – eigenlijk altijd om de prediker. Hij krijgt les, aan hem wordt gevijld en gespijkerd. De hoorder is wel binnen beeld, maar die krijgt nooit les in luisterkunde. Kennelijk kan hij dat zomaar: naar een preek luisteren. De weg naar het hart van de hoorder moet – ik spreek in heel dit stuk op menselijke wijze – geheel gegaan worden door de prediker. In dit artikel wil ik een kort moment bij de hoorder stilstaan, en die hoorder aanspreken op haar of zijn taak in het beluisteren van preken.
Veranderingen
Nu is die hoorder vandaag de dag een ander dan de hoorder van honderd jaar geleden. Ik noem een aantal verschillen: de hoorder van vandaag is over het algemeen verder ontwikkeld, zijn welvaartsniveau ligt veel hoger, hij is omringd door elektronica die het leven niet alleen maar aangenamer maken, maar het vaak ook in stand houden en verlengen (medische ontwikkeling) en daarbij is hij gewend geraakt aan allerlei vormen van vermaak en gemak. Al die ontwikkelingen hebben hun weerslag op de instelling waarmee mensen in de kerk zitten. Er is veel veranderd.
Daarom is er in de preekkunde ook veel veranderd. En niet alleen in de theorie, maar ook in de praktijk van het preken is behoorlijk wat veranderd. Weinigen zullen op het idee komen om bij een leesdienst een preek van honderd jaar geleden onveranderd aan de gemeente door te geven; er speelden andere vragen en de benadering van de preek was anders. Veelal waren de preken langer en leerstelliger dan vandaag. De hoorder verandert en de preek verandert mee.
Bekering
Wat mij nu opvalt – en ik gaf dat net al even aan – dat dat gegeven meestal tamelijk kritiekloos ingebracht wordt. ‘Als we de hoorder van vandaag willen bereiken, dan zullen we hem moeten zoeken waar hij is’, zo wordt met veel aplomb beweerd. Hoe begrijpelijk ik de redenering ook vind, toch meen ik dat op deze wijze onterecht de hoorder buiten beeld blijft. Het lijkt me verstandig om te beseffen dat in de Catechismus het vierde gebod aan de orde komt in het gedeelte dat handelt over de bekering. Het deelnemen aan de zondagse dienst, het leren luisteren naar een preek heeft dus iets met bekering te maken. Nu wil ik daarmee niet een argument aandragen om de predikanten buiten schot te houden en boven kritiek te verheffen. Wat ik wil bereiken, is dat hoorders beseffen dat een deel van de verantwoordelijkheid bij hen ligt.
Drukte
Waar denk ik aan bij die verantwoordelijkheid? Nu – de hoorder vandaag is een hoorder die de hele week druk is met van alles en nog wat en vaak moe naar de kerk komt. Echter: de drukte en de hectiek van het moderne leven treft ons niet als een lot, maar is gevolg van een keuze. Misschien niet een heel bewuste keuze, maar uiteindelijk wel een keuze. Wij kiezen voor een bepaald niveau van welzijn, een bepaald uitgavenpatroon, een vakantiepatroon en noem het maar op – en we laten onze ziel verpieteren. En dat onderhoud aan onze ziel moet dan voor een groot deel op de zondag plaatsvinden tijdens de twee (!) diensten die we meemaken. Maar door de drukte is er een heel stuk bedding waar de preek vroeger in viel, verdwenen. Gaan de Schriften bij ons thuis nog open? Is er nog ruimte voor een eigen nadenken en studeren in het woord?
Keuzecultuur
Verder: in onze samenleving kiezen en stemmen en peilen we de hele dag. Den Haag wordt geregeerd door Maurice de Hond, TV-programma’s tellen pas mee als we kandidaten naar huis kunnen stemmen en in onze supermarkten staan 23 soorten olijven. Uiterlijk en presentatie zijn daardoor erg belangrijk geworden, want je moet de kiezer, de klant in zeer korte tijd aan je zien te binden. Als iets niet flitsend en snel op zeer gelikte wijze aan ons gepresenteerd wordt, zijn we al snel verveeld. In een kerkdienst gaat het tempo ten opzichte van ons dagelijkse leven veelal omlaag, we komen in de vertraging, we komen in de stilte. En dat is dan moeilijk. We zijn het immers collectief aan het ontwennen om stil te staan, om te bezinnen. Als dan gedurende een half uur iemand het woord tot ons richt, zonder dat we met allerlei kekke plaatjes beziggehouden worden, vinden we het al snel moeilijk en saai. En van de weeromstuit gaan we dan weer doen wat we de hele week al doen: stemmen. Veel leden stemmen vandaag met de voeten. Als er een dominee is die niet al te flitsend preekt, zoeken we een ander, of blijven we thuis om via de media een dienst mee te maken. En zo gaan we voorbij aan het probleem dat bij onszelf ligt.
Kritiek van het evangelie
Uiteindelijk bewijs je de gemeente geen dienst als de hoogste wijsheid is dat je de mensen moet zoeken waar ze zijn – want dan heb je al goedgevonden dat die hoorder zich steeds verder verwijdert van een eigen omgang met de Schrift en de belijdenis. Een dienst waarin allerlei trucs worden aangewend om het de drukke, stemmende hoorder naar de zin te maken, lijkt voor de korte termijn de zaak op te lossen, maar het zal tijdelijk blijken te zijn – omdat die hoorder niet samen met de prediker onder de kritiek van het evangelie is gekomen. Die kritiek van het evangelie roept ons tot bekering. En dat is: een afkeren van onze afgoden die ons doen geloven dat we druk moeten zijn om mee te tellen. Dat we mee moeten in het welvaartsniveau van vandaag de dag om erbij te horen. De afgoden die ons vertellen dat we zelf heel best weten wat goed voor ons is. Het zijn die goden die ons zand in de ogen strooien en ons de oren toesluiten.
Geen jij-bak
Heb ik in dit artikel van de hele zaak nu een grote jij-bak gemaakt? Weet ik dan niet dat sommige preken moeilijk zijn om aan te horen en meer vragen oproepen dan ze beantwoorden? Wees gerust, ik weet dat wel. Ik weet het van binnenuit en ik ken mijn eigen gebrekkigheid als prediker maar al te goed. Maar ik geloof niet dat het terecht is als de zwarte piet volledig aan de kant van de predikanten wordt neergelegd. Dat heb ik hier willen beweren. Ondertussen lijkt het me van het allergrootste belang dat we als verkondigers en als hoorders met elkaar weer naar de kerk gaan in de verwachting dat de levende God zich daar zo over ons ontfermt dat wij zijn stem horen. Dat vraagt van predikanten grondige studie in de Schrift, grondige exegese van de gemeente en haar leefwereld en dan een doordachte verkondiging. Dat vraagt van de gemeente eigen omgang met het woord, gebed voor de predikant en een open hart. Waar we zo samen komen, wil God ons zegenen en mogen we – een wonder! – Gods eigen stem horen. Een stem die ons tot de vrijheid roept. De echte vrijheid waarbij we opademen en alles in ons leven anders wordt.
Ds. C.C. den Hertog is predikant te Surhuisterveen
|