In de stadspoort 119e jaargang, 15 oktober 2010, nummer 21
2010-10-15
door D. van Meeuwen De christelijke school als stadspoort. Dat was de beeldspraak die W. Aalders in een bundel “De tijdgeest weerstaan” (1984) gebruikte om de taak en functie van een christelijke reformatorische school aan te geven. Nog steeds mooie beeldspraak, en de titel van de bundel blijkt voor dit nummer van De Wekker nog zeer actueel. De stadspoort roept het beeld op van een oude stad met muren. Binnen de stadspoort is het veilig, daarbuiten is de wereld. De school is de stadspoort. Wij weten hoe belangrijk de stadspoort in de Bijbel is. Daar verzamelden zich de oudsten van de stad. Er werd onderhandeld en recht gesproken. De stadspoort verbond het leven van de stad met de wereld erbuiten. De stadspoort, de christelijke school, staat volgens Aalders op de grens van de stad en de wereld, van het leven binnen en buiten de muren. De stad zouden we het gezin kunnen noemen. Ik voeg er in het kader van dit artikel de kerk bij. Zo is de stadspoort, de school, als het ware de doorgangsfase van de geborgenheid van het gezin en de kerk naar de wijde horizon van de samenleving buiten de stad. De samenleving met haar snel veranderende cultuur èn tijdgeest.
Veranderingen Het onderwijs op scholen staat altijd in relatie tot die maatschappelijke ontwikkelingen. Veranderingen in de maatschappij, zoals de multiculturele samenleving of de brede invoering van ICT zullen merkbaar zijn in de scholen. En zo is het ook. Wie had slechts vijftien jaar geleden kunnen denken dat er bijna geen gebouw meer te vinden is waar géén computer staat? We hebben het zien gebeuren. Er kwam niet alleen een nieuw vak bij, informatica, maar men vond ook dat er anders geleerd moest gaan worden. Het gebruik van internet zette het bestaande kennisbegrip op de tocht. Enkele jaren geleden is er een verwoede pennenstrijd gevoerd over het “oude leren” en het “nieuwe leren”. Deze kwestie raakt ook de kerk, de prediking en de catechisatieles. Het “oude leren” staat voor klassikaal, frontaal (de docent neemt de leiding en spreekt de hele groep aan), veel kennisoverdracht en veel feitenkennis. Het “nieuwe leren” werkt minder klassikaal en minder docent gestuurd. Bij het “nieuwe leren” gaat men uit van een nogal positief mensbeeld. De leerling is een zelfstandig kiezende en lerende leerling, de docent is meer de coach die wat bij- en meestuurt. Bewust schrijf ik het hier wat zwart-wit neer. Kennis is niet alleen weten, het is je eigen waarheid construeren maar ook vaardigheden opdoen om je kennis in praktijk te brengen. Dit “nieuwe leren” lag bijvoorbeeld ten grondslag aan de Tweede Fase in het voortgezet onderwijs. Het is geen groot succes geworden, zo blijkt nu. Maar het is wel een feit dat het klassieke kennisbegrip onder vuur ligt. Het statische beeld van de school met de bijbehorende vaste kenniscanon is aan het schuiven. Vroeger leerde je kennis voor het leven, nu is het een leven lang leren. Want kennis verandert steeds. Het verandert ook onze leerlingen. Ze ervaren de wereld om hen heen als een wereld met veel tegenstrijdige informatie. Daar moeten ze uit kiezen. Kennis is vooral google-kennis. Was het vroeger een persoonlijke prestatie om een uitgebreide scriptie te schrijven of te typen met eigen geformuleerde zinnen, waarin je je gedachten en kennis probeerde te verwoorden, nu zoek je op internet, knipt en plakt wat, en ziedaar: de scriptie is klaar. Maar of je er iets van geleerd hebt?
Ontwikkelingen Andere ontwikkelingen in onze samenleving beïnvloeden ook onze jongeren. Ze worden overspoeld door de beeldcultuur en steeds weer nieuwe uitvindingen, die iedereen schijnt nodig te hebben. Alles lijkt maakbaar te zijn, van verandering van je neus of andere delen van je lichaam tot fotobeelden, die verknipt de “werkelijkheid” weergeven. Onze jongeren hebben een soort onafhankelijkheidsgevoel, gevoed door de tijdgeest van het individualisme en het hebben van voldoende geldmiddelen. Ze maken hun eigen keuzes wel! Ze doen veel, zijn vlug en vluchtig! Deze lifestyle raakt het onderwijs in de kern, maar dus ook de kerk en háár onderwijs. Jongeren zijn nadrukkelijk veranderd. De huidige leerling kan bezig zijn met een werkstuk via internet èn met games èn met sms’en, met twitteren, terwijl de muziek aanstaat en er tussendoor een gesprek kan zijn met iemand in de kamer. De vraag is natuurlijk: hoe diep gaat alles, maar ze zijn er wel toe in staat. Ze worden wel eens de generatie Einstein genoemd, niet in de zin dat ze geniaal zijn en veel weten, maar zeer creatief en multidisciplinair zijn. Einstein kon daardoor de wereld veranderen, zij ook. Het aanzien van leren en informatieverwerking is volgens velen voorgoed veranderd.
Aanpak Wat te doen? Op de scholen ontstonden diepgaande discussies welke kant er gekozen moest worden. Op de locatie Marnix van het Wartburg College in Dordrecht is die discussie ook gevoerd. Uiteindelijk hebben we bewust gekozen voor een eigen onderwijsweg. We hebben erkend dat veel facetten van het “oude leren” gehandhaafd moesten blijven. Er is bijvoorbeeld weer ingezet op feiten leren. Aan de andere kant hebben we ook onderdelen van het ‘nieuwe leren” in ons onderwijsprogramma. Sommige vaardigheden als presenteren of onderzoekjes doen worden volop toegepast. Natuurlijk is het zo dat er in het onderwijs veel meer gebruikgemaakt wordt van beeldmateriaal en computergebruik, waardoor kennisverwerving anders verloopt. Maar we dienen op scholen wel tegenwicht te bieden aan de vluchtigheid en het oppervlakkige van de kennis, die jongeren zich eigen maken. Wat dat betreft dringt het besef ook bij de regering door dat we doorgeslagen zijn. In het onderwijs moeten we weer verplicht taal- en rekenonderwijs geven om achterstanden weg te werken. De hersens moeten weer gebruikt worden en niet de rekenmachine. En het besef dringt ook steeds meer door dat we niet teveel van de autonomie en zelfstandigheid van de leerling moeten verwachten. Een puberbrein is nog in ontwikkeling, laat onderzoek zien. Juist die zelfstandigheid om je eigen kennis te verwerven komt pas op latere leeftijd! De puber moet dus goed geleid en begeleid worden. Maar de belangrijkste grondregel is dat het om de docent gaat! Hij of zij moet iemand zijn die in een opvoedkundige relatie met de leerling staat. Het gaat om de authentieke bevlogen docent, die gids in het leerproces is. Hij is als gids soms zeer leidend, want hij heeft de kennis en wil die overdragen. Soms staat hij midden tussen de leerlingen, coachend, met aandacht voor iedereen, ook de minder begaafde. Maar voor alles heeft hij hart voor zijn leerlingen. Het gaat om die relatie! Vanuit de relatie met zijn leerlingen weet hij saaie leerstof over te dragen. Toch wel! Ondanks alle vluchtigheid die onze jeugd kenmerkt, hebben ze wat met mensen die zichzelf zijn en die met hun kennis en woorden kunnen boeien. Ten diepste blijven mensen aangelegd op communicatie door middel van taal, van woorden. Ondanks de schitterendste beeldfragmenten weet ik dat leerlingen soms aan een geschiedenisleraar vragen: “Meneer, vertel alstublieft een verhaal en laat die dvd maar uit, want die zien we al genoeg.” We moeten blijven geloven in de kracht van het woord. Een goed verteld verhaal en een goed gesprek brengen processen in ons hoofd aan de gang, die diep gaan en blijvende indrukken achter laten. De Bijbel geeft ons hier vele voorbeelden van. Denk aan het verhaal van de uittocht, ieder jaar moest het bij de Israëlieten verteld worden. De Heere Jezus vertelde, en ging in gesprek met individuele mensen en groepen.
Idealistisch? Is dit te ideaal gesteld? Geldt het ook niet voor ouders, dat zij vanuit de relatie met hun kinderen moeten spreken over de meest wezenlijke dingen van het leven? De opvoedingstaak uit psalm 78 om de kennis en verborgenheden bij de kinderen in te scherpen blijft ook in onze tijd overeind staan voor ouders, kerk en school. Tegenwicht bieden aan de vluchtigheid en oppervlakkigheid! Het gaat om de zielen van onze kinderen! Geldt dit ook niet voor de kerk? Een predikant mag spreken vanuit het gezag van het Woord, hij zal toch ook vanuit de relatie met zijn gemeente en jongeren moeten spreken. De Heere wil dat door Zijn Geest zegenen. Dat heeft Hij altijd gedaan. In elke tijd. Wat dat betreft heb ik persoonlijk zeer goede herinneringen aan de prediking in de kerk van Rotterdam-West, waar ik mijn jeugd doorgebracht heb. De kerk is helaas vorig jaar gesloten. Door de prediking en de catechese lag er beslag van het Woord. Dat merkte je en dat werkte bewarend. Dan kon je als jongen weer de week in. Naar een school, die niet erg christelijk meer was. Het was soms moeilijk, maar gelukkig werd het dan weer zondag. Laten we maar blijven geloven in de kracht van het Woord! Onze jeugd in de stadspoort. We kunnen ze er niet houden. Ze moeten een keer de wereld in. Het is de mooie taak van een christelijke (reformatorische) school om hen voor te bereiden. Dat betekent ook de tijdgeest peilen en doorgronden. Er soms tegenin gaan. Het Wartburg College heeft in haar Schoolplan staan dat de diepste reden van haar bestaan gelegen is in de ruime aandacht voor vorming en toerusting van onze leerlingen vanuit de Bijbel en de belijdenisgeschriften. Daar hoort zeker parate kennis bij. Het gaat er vóór alles om dat jongeren ook burgers worden van het Koninkrijk van de Heere Jezus Christus. Daar is een andere kennis voor nodig, een kennis met het hart door Gods Geest gewerkt. Die kennis verandert nooit omdat God Zelf niet verandert. Daar gaat het om in de stad, in de stadspoort en in de samenleving!
Drs. D. van Meeuwen, lid van de Beth-El Kerk in Sliedrecht, is directeur van het Wartburg College, locatie Marnix, in Dordrecht.