Artikel
2011-12-09

door Miranda Renkema

Dat is de conclusie uit het rapport “De sociale staat van Nederland 2011" dat het Sociaal en Cultureel Planbureau vorige week publiceerde. Van alle instanties waar Nederlanders min of meer vertrouwen in hebben, blijkt de kerk het allerlaagste te scoren. Lager nog dan de regering en de politieke partijen, die daarna het minste vertrouwen oproepen.  

Niet meer dan 35% van de bevolking zegt nog enigszins vertrouwen in de kerk te hebben, terwijl dat vijf jaar geleden nog 49% van de bevolking was. De opstellers van het rapport wijten dit grote verschil met name aan de berichten over seksueel misbruik binnen de Rooms Katholieke Kerk. Maar ook andere gebeurtenissen zouden een rol kunnen hebben gespeeld in de negatieve beeldvorming van de kerk.   

Nou is het, voor ik wat dieper op de zinnen hierboven in wil gaan, wel even goed om de cijfers in z’n geheel te laten spreken. In de media is vooral het feit dat de kerk helemaal onderaan terechtgekomen is breed uitgemeten, en ook de 35% van 2011 tegenover de 49% van 2006 is vaak genoemd, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het vertrouwen in de kerk al veel langer heel erg laag staat. In 2003 bijvoorbeeld was het vertrouwen van de Nederlander in het ‘instituut’ kerk 39%, dat is maar 4% hoger dan in 2011 - en die 49% van 2006 was een duidelijke uitschieter naar boven. Als je het gemiddelde neemt van de laatste 10 jaar kom je iets boven de 40% uit. Wat wel echt nieuw is, is dat de kerk dit jaar voor het eerst het allerlaagste van alle instanties scoort (tot nu toe was het vertrouwen in de politieke partijen altijd nog minder).

Zelfkritiek
Goed, wat nuance in de cijfers en de graagte waarmee de media die cijfers naar buiten bracht dus. Maar toch. Het zegt ons als kerken toch wel wat! Hoop ik ...  Koppen in de krant en op internet als ‘vertrouwen in kerk op dieptepunt’ doen wel pijn. En zijn ook redenen om heel kritisch naar onszelf en naar onze manier van naar buiten treden te kijken. De grootste daling in vertrouwen is, naar het lijkt, veroorzaakt door een regelrechte zonde van de kerk! We kunnen dat niet wegwuiven, ook niet als christelijk-gereformeerden, door te zeggen: ja, dat speelt in de Rooms Katholieke Kerk, dat zijn wij niet! De meeste Nederlanders maken geen onderscheid tussen ‘goede’ kerken en ‘foute’ kerken. Kerken zijn kerken en wat één kerk doet of zegt, komt op de rekening van dé kerk, alle kerken, terecht.

En eigenlijk zit daar ook wel iets moois in. Want ook om díe reden kunnen wij ons niet van onrecht in een andere kerk distantiëren: we dragen inderdaad samen de naam van Christus - en daarmee dragen we ook in zekere zin gezamenlijk schuld; als één lid lijdt (bv. door schade opgelopen door te zondigen), lijden andere leden daarin mee. Bovendien ... laten we als reformatorische kerken maar niet doen of het kwaad dat in de Rooms Katholieke Kerk nu zo pijnlijk naar boven gekomen is, bij ons niet voorkomt. En dat er bij ons niet heel veel schuld gemaakt is door dat kwaad niet te erkennen, maar te verzwijgen. Kortom: het past ons, en dan niet alleen op dit punt, maar op alle punten waar de kerk het aan zichzelf te danken heeft dat ze in een negatief daglicht is komen te staan, om schuld die er daadwerkelijk is ook te erkennen, te belijden, en als het kan de schade te herstellen.

Goed bekend staan
En het past ons om heel erg na te denken bij hoe wij ons naar buiten toe opstellen. Het valt me steeds weer op hoe in het Nieuwe Testament steeds gewezen wordt op de opdracht om voor de buitenwereld geen drempel voor het evangelie op te werpen door ‘aanstoot te geven’. Als je kijkt naar de vereisten die aan de ambtsdragers gesteld worden bijvoorbeeld, dan valt op dat de meeste eisen gaan over het belang van het goed bekend staan in de samenleving - zodat de buitenwereld niet kan zeggen: ‘kijk nou eens, die man is onbetrouwbaar tot en met, maar in de kerk mag hij het hoogste woord voeren! - met zo’n club hoef ik niets te maken te hebben!’. Het maakt uit hoe de kerk in de samenleving bekend staat. En je kunt je afvragen of alle uitlatingen van de kerk de laatste tijd nou zo wijs waren in dit licht (om hét bekende voorbeeld van de laatste weken dan maar te noemen: als je als predikant zonder uitleg Koelman gaat citeren over het kastijden van kinderen, dan moet je niet gek opkijken dat daar reactie op komt, en dat het vervolgens heel wat moeite kost om achteraf weer recht te breien wat je daarmee nou eigenlijk bedoelde).  

Nu heb je er als ‘gewoon gemeentelid’ meestal heel weinig invloed op wat er in de media over de kerk naar buiten komt. Maar dan is het goed om te bedenken dat beeldvorming ook in het klein ontstaat. Ook voor ons eigen leven geldt dat ‘de kerk’ wordt afgerekend op wat wij doen en zeggen. Staan wij bekend als betrouwbaar? Geduldig? Liefdevol? Bereid om te helpen? Gastvrij? Dan straalt die ‘goede naam’ af op de kerk waarmee we verbonden zijn. Maar als het andersom is, dan gaat die roem ons ook vooruit! En dan berokkenen we de boodschap van Christus schade. Er ligt een grote verantwoordelijkheid bij ons als leden van Christus’ kerk om door onze woorden en daden een goede getuige van Hem te zijn en mensen niet onnodig af te stoten. Wanneer we werkelijk dicht bij Christus leven, dan heeft dat invloed. Denk maar aan die eerste christelijke gemeente uit Handelingen 2: ze waren trouw in geloof en volhardden in de onderlinge gemeenschap - en ze stonden in de gunst bij het hele volk! Zowel de kerk, als alle christenen persoonlijk (en daartussen bestaat geen tegenstelling) hebben de opdracht om door hun leer en leven Christus’ naam hoog houden, juist ook te midden van mensen die Hem niet kennen.    

Hoe zal het verder gaan?
Maar toch. Stel nou dat iedereen, elke gemeente, iedere christen zich werkelijk christelijk zou gedragen ... zou de kerk dan weer bovenaan het rijtje terecht komen? Ik betwijfel het. En dat is omdat ik weet van een ontwikkeling in de geschiedenis. Advent doet weer extra beseffen dat de geschiedenis niet een simpele en zich steeds herhalende cirkel is van oorzaak en gevolg (zoals moderne mensen zijn geneigd te denken), maar zich voltrekt als een lijn van schepping naar voleinding. Wanneer je de oudtestamentische profetieën leest over Christus’ komst en wederkomst en alles wat daaraan voorafgaat, word je stil van het feit dat de geschiedenis echt ergens op uitloopt, maar door verschrikkelijke oordelen en crises heen. Oordelen die beginnen bij het huis van God. En je ziet het zich in onze tijd voltrekken. Advent is letten op de voortgang.

Dat is niet hetzelfde als: ‘we moeten ons er maar bij neerleggen, de kerk wordt nou eenmaal steeds kleiner ...’ en ons binnen de kerkmuren terugtrekken. Integendeel! Maar in al ons (terechte) pogen om als kerk een verstaanbare boodschap te brengen, een nodigende gemeenschap te zijn, een betrouwbare getuige van Christus, is het wel goed om deze Bijbelse realiteit vast te houden: God voltooit zijn eigen weg met de kerk, een weg die ergens naar toe gaat en ergens op uitloopt. En of er op die weg nog weer een periode van groei en bloei van de kerk in onze Westerse cultuur voorkomt? Ik weet het niet. Er gebeuren hoopvolle dingen. Maar kijkend naar wat er in de profetieën staat over de tijd voorafgaand aan Jezus’ terugkomst, kan het net zo goed vanaf nu alleen nog maar donkerder worden. En juist dan is het goed om te weten dat we in Adventstijd leven - de Koning komt er aan! Dwars door de oordelen en het donker heen - om het voor eeuwig licht te maken. Als wij Hem trouw blijven (ook als het donker is), dan zullen we het zien: “En de HERE zal koning worden over de gehele aarde, te dien dage zal de HERE de enige zijn, en zijn naam de enige” (Zach. 14: 9).     

Mevr. M. Renkema-Hoffman is theologe en lid van de redactie.

     

 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker