Artikel
2011-07-22

Door J.A. Voorthuijzen

 

Onze gewaardeerde (oud)hoogleraren in Apeldoorn hoeven niet bang te zijn: het gaat niet of slechts zijdelings over hen. Het gaat ook niet over de in 1975 verschenen roman van Willem Frederik Hermans, met exact dezelfde titel. In, wat misschien niet zijn beste boek is geworden, gaf hij een shockerende zwart-wittekening van het alledaagse universitaire leven in onze meest noordelijke stad.

 

Wie vast wilde houden aan het romantische beeld van elitaire en verheven mannen en vrouwen die de hele dag wetenschap op het allerhoogste niveau beoefenden, moest het boek vooral niet lezen. Onwillekeurig moest ik er wel aan denken toen ik een aantal dagen geleden het laatste onderzoek van ForumC onder ogen kreeg.

 

ForumC, een aantal jaren geleden ontstaan uit een fusie van ICS en GSEV, is een platform voor geloof, wetenschap en samenleving en wil in gesprek met iedereen die daarvoor openstaat het christelijk geloof verbinden met vragen van de samenleving, de cultuur en het eigen leven. ForumC werkt met drie programmas: geloof en wetenschap, geloof en werk en geloof en samenleving. Hierbinnen geeft ForumC publicaties en het wetenschappelijk tijdschrift Radix uit. Ook organiseert ForumC debatten en symposia.

 

Hoogleraar en geloof

 

Eén van de laatste onderzoeken, waarvan de resultaten eind juni gepresenteerd werden, richtte zich op de verhouding tussen levensbeschouwing en wetenschap onder hoogleraren aan Nederlandse universiteiten. Het onderzoek werd gehouden onder bijna 6000 hoogleraren, waarvan ongeveer 1/3 heeft gereageerd. Voor een zomaar uitgezette enquête een hoge score. Eén van de vragen die de professoren moesten invullen had betrekking op hun levensbeschouwing, door zichzelf in één van de volgende categorieën in te delen:

Atheïst: Is er van overtuigd dat er geen God(en) bestaan of kunnen bestaan.
Agnost: Is er van overtuigd geen kennis te kunnen bezitten of er een God is of niet.
Theïst: Is er van overtuigd dat er een persoonlijke God bestaat.
Ietsist: Is er van overtuigd dat er iets is tussen hemel en aarde.

 

Van de hoogleraren die reageerden gaf 44% aan atheïst te zijn, 28% agnost, 17% theïst en 5% ietsist. Daarnaast gaf 5% aan zich in geen van deze categorieën te herkennen. Onder de Nederlandse bevolking liggen deze cijfers heel anders. Daar is 14% atheïst, 26% agnost, 24% theïst en 36% ietsist.

 

Opvallend is het hoge percentage atheïsten onder professoren. Bijna de helft van alle hoogleraren (44%) is van mening dat er geen God bestaat en zal dit principe ook met overtuiging inzetten tijdens de wetenschapsbeoefening en de kennisoverdracht naar studenten. Dat is 30% hoger dan onder de Nederlandse bevolking. Dat lijkt vooral ten koste te gaan van de vaagheid van het ietsisme. Van de 36% aanhangers daarvan onder de Nederlandse bevolking is onder hoogleraren maar 5% over is. Blijkbaar zijn hoogleraren beter in staat om keuzes te maken en hier voor uit te komen. Het aantal bewust gelovigen (theisten) blijkt onder de Nederlandse bevolking 7% hoger te zijn dan onder professoren.

 

Had mijn vader dan toch gelijk?

 

De cijfers stellen niet gerust, maar het is nog harder schrikken als gevraagd wordt naar de opvoeding van de hooggeleerde dames en heren. Dan blijkt namelijk dat 66% ooit een christelijke opvoeding heeft gehad. Als ik er van uitga dat er weinig of geen hoogleraren op latere leeftijd tot de overtuiging zijn gekomen dat er een persoonlijke God moet zijn, blijkt dus dat het percentage van 66% procent met een christelijke levensovertuiging tijdens studie en aansluitende wetenschappelijke carrière slinkt tot 17%. Met andere woorden: van iedere 4 christenstudenten die later hoogleraar werden raakten er 3 onderweg het geloof van hun ouders kwijt.

 

Ik zie mij als zeventienjarige nog discussiëren met mijn vader over mijn wens om te mogen gaan studeren. Voor hem was dat, met niet meer zes jaar lagere school en daarna een gedwongen start in de onderneming van mijn opa, een bijna onmogelijke opgave. En zijn zorgen over het ongeestelijke klimaat binnen de universiteiten, die hij nooit van binnen had gezien, vond ik toen best wat overtrokken. Met latere ervaringen en de cijfers van nu kijk ik daar toch wel anders tegenaan. Het gaat mij bij dit alles niet om mijzelf, maar wel om het aanstormende talent uit onze kerken, dat begin september vol enthousiasme en uiterst leergierig de collegebanken inschuift. Wellicht voor het eerst op kamer en weg uit het veilige nest. Los van de middelbare school met een reformatorische of anders toch veelal christelijke identiteit. Ontkoppeld van bestaande vriendengroepen met een vergelijkbare kerkelijke achtergrond. Helemaal alleen, opnieuw begonnen in een grote stad. Een kleine kamer met wat tweedehands spullen, een krakend bed, een scheve kast en een halve kwast verf op de muur. Grote collegezalen met massa’s studenten, waarvan binnen een jaar de helft weer iets anders zal doen. Ondergedompeld in een academisch klimaat dat het bestaan van God glashard ontkent (de atheïst) of bij hoog en bij laag beweert dat we alleen maar zeker weten dat we niet kunnen weten of er een God bestaat (de agnost).

 

Niet afweren maar weerbaar maken

 

Onze jongeren hiervan weghouden zal niet lukken. Het verbieden of ontmoedigen van een universitaire opleiding is geen antwoord op de vragen die er zijn of zullen komen. Er is ook veel behoefte aan christenacademici. Hopelijk maakt bovenstaande niet de gedachten bij u los om uw kind een studie te ontraden. Ik hoop wel dat u met nog meer energie en overtuiging er alles aan zult doen om onze jongeren weerbaar te maken, zonder daarbij weer direct irritant drammerig te worden. Wat is er op tegen om ze te attenderen op de positief christelijke studentenverenigingen in hun nieuwe stad? CSFR, Ichthus en Navigators doen prima werk! Wat weerhoudt u ervan om hun naam en adres door te geven aan de studentencommissie en de kerk in hun nieuwe woonomgeving? Eén telefoontje naar de scriba ter plaatse en het kerkelijke vangnet kan uitgerold worden. De eenzaamheid onder jonge studenten is veel groter dan ze toe willen geven en thuis zullen vertellen. Dat hebben mijn jaren lidmaatschap van een dergelijke commissie mij geleerd. Waarom zou u ze niet stimuleren om colleges christelijke filosofie te gaan volgen. In iedere stad worden ze gratis gegeven. Wat is er op tegen om ze een abonnement op een blad als Soφie te schenken?

 

Daarnaast zijn er legio boeken van oudere en nieuwere denkers die kunnen helpen tegengif te bieden aan het atheïstische denkklimaat waarin ze terechtkomen. Waar we voor moeten waken is een soort noodlotsgedachte dat je ongelovig moet worden als je gaat studeren. Ongeloof van studenten, of ze het nu leuk vinden of niet, is en blijft een persoonlijke keuze. Daar mogen ze ook met gepaste regelmaat aan herinnerd worden. Er zijn namelijk ook vele voorbeelden van christenacademici die prima in staat blijken wetenschapsbeoefening en christelijk geloof met elkaar te verenigen. Als voorbeeld noem ik het werk van prof. dr. Cees Dekker in Delft. In 2008 gaf hij een boek uit: “Geleerd en Gelovig”. In het voorwoord schrijft hij: “Ik hoop dat dit boek een verdere stimulans zal zijn om de ouderwetse misvatting te laten varen dat wetenschap en christelijk geloof strijdig zijn met elkaar”. En iets verder in hetzelfde voorwoord: “Het is mijn hoop dat deze bundel … iets laat proeven van hoe het evangelie van Jezus Christus zijn weg kan banen in de vorming van een persoon, óók bij de academisch geschoolde wetenschapper”.

 

Misschien een idee deze mooie bundel cadeau te doen. Nog mooier is het cadeau dat u geeft als u op uw eigen plaats, hoog- of laagopgeleid, hoogleraar of loonwerker, als (groot)vader en (groot)moeder, een voorbeeld bent en laat zien hoe in uw eigen leven, op welke plek dan ook in de samenleving, het evangelie van Jezus Christus zijn weg gebaand heeft en nog steeds iedere dag heilzaam werkt.

 

J.A. Voorthuijzen maakt deel uit van de redactie en is lid van de kerk van Kampen.


 

 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker