Artikel
2011-07-08

door C.C. den Hertog

 

De steun aan Griekenland lijkt door te gaan. De Grieken zelf zijn nog niet laaiend enthousiast, maar het faillissement van het land lijkt voorlopig afgewend omdat de eurolanden gezamenlijk 12 miljard euro beschikbaar stellen. Dat gaat bepaald niet zonder slag of stoot. In ons land is het met name de PVV die zich fel tegen deze reddingsoperatie keert. Op 10 juni ging Wilders naar de ambassade van Griekenland met een enorm biljet van de Drachme om zo duidelijk te maken wat zijn oplossing zou zijn: Griekenland moet zijn eigen boontjes maar doppen en kan daarom maar beter uit de euro gezet worden. Op deze manier kost het de Nederlandse burger teveel. En hij heeft aangekondigd dat wanneer Nederland vanwege deze reddingsoperatie extra zou moeten bezuinigen, zijn partij de steun aan het minderheidskabinet intrekt. Hij zal er in de peilingen ongetwijfeld garen bij spinnen.

 

Wat me dan opvalt zijn de reacties die gegeven worden. De minster van financiën doet zijn best om uit te leggen dat we van deze steun als Nederland op de lange termijn juist beter worden. Op dit moment is het wel even lastig, maar niks doen en de Grieken aan hun lot overlaten zou ons nog veel meer kosten. Dat klinkt als een solide argument. En toch schuurt het ergens bij me. Waarom? Ik denk omdat in deze wijze van argumenteren de vooronderstelling van de kritiek gewoon blijft staan en buiten de discussie gehouden wordt. De discussie gaat over de vraag of Wilders en anderen goed gerekend hebben, maar niet over de vraag of dat wel een goede insteek is: de insteek bij ons nationaal belang. Wilders en De Jager verschillen van mening over de vraag of deze weg gevolgd moet worden, maar ze zijn het roerend eens over het doel dat Nederland moet zien te bereiken: wij moeten er beter uitkomen.

 

De meesten zullen het volstrekt logisch vinden dat de beide heren het over dat doel eens zijn. Zo zit deze wereld tenslotte in elkaar, zo redeneren wijzelf in het dagelijks leven ook: hoe word ik er beter van. Dat wordt ons van alle kanten toegeroepen als de ultieme wijsheid: zorgen dat je er voor jezelf iets uithaalt. En toch klinkt het me onplezierig in de oren. Dat heeft alles te maken met de boodschap die in de Schrift tot ons komt. Daar hoor ik Jezus zeggen dat het zaliger is te geven dan te ontvangen. En Paulus vertelt aan de Korintiërs over de weg van Jezus die rijk was en arm is geworden om door zijn armoede ons rijk te maken. En diezelfde Paulus schrijft aan Timotheüs dat de wortel van alle kwaad de geldszucht is. Die vooronderstelling van waaruit wij van huis uit leven wordt in het evangelie radicaal onder kritiek geplaatst.

 

Bestaande antwoorden

 

Daarmee ligt een probleem op tafel: kun je met de Bijbel in de hand de wereld regeren? Of moeten we in de internationale politiek, in de sfeer van economie en diplomatie de Bijbel maar laten voor wat ‘ie is? Als ik het goed begrepen heb, stond Luther op het standpunt: met de bergrede in de hand kun je deze wereld niet regeren, daarvoor zijn er teveel slechteriken. In het wereldse bereik gelden de eigen wetten van economie en burgerlijk recht. Binnen de kerk geldt de bergrede. In de gereformeerde traditie lag dat anders. Calvijn liet de overheid niet z’n eigen gang gaan, maar hield hem de roeping van Godswege voor. Opvallend genoeg behandelt hij de leer over de overheid in dat deel van de Institutie dat als opschrift heeft: Over de uiterlijke middelen, waardoor God ons tot de gemeenschap met Christus nodigt en daarin bewaart. Kennelijk is de overheid één van die middelen in Gods hand. In artikel 36 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis horen we een echo van Calvijns standpunt. En dan wordt er behoorlijk wat gezegd over de taak van die overheid. Het is goed om te bedenken dat in die geloofsbelijdenis de kerk spreekt en doorgeeft wat zij gehoord heeft in de Schrift. En dat die kerk deze belijdenis allereerst aan de koning gezonden heeft in wiens naam men werd vervolgd. Daarmee zie je direct al iets van de wijze waarop de belijdenis de verhouding van kerk en overheid ziet. De kerk is geroepen om die overheid te herinneren aan haar roeping. De kerk is als de profeet die in het Oude Testament consequent naast de koning geplaatst is om die koning vast te houden bij de orde van het Koninkrijk. En die kerk weet ook maar al te goed dat de koningen van deze wereld vaak volgens een andere maat regeren. Guido de Brès – de opsteller van de Nederlandse Geloofsbelijdenis – is door die overheid gedood vanwege zijn belijdenis. Maar toch zweeg hij niet.

 

Alternatieven

 

Mijn indruk is dat we die hoge tonen van onze gereformeerde traditie vandaag maar nauwelijks meer halen. Van verschillende kanten wordt gepleit voor een andere benadering. Zowel S. Hauerwas (Een robuuste kerk) als J.C. Kennedy (Een stad op de berg) zoeken het in de richting van de kerk als een contrastgemeenschap. De kerk heeft niet een boodschap, maar de kerk is de boodschap. In een door en door harde wereld is een teken van Gods rijk zichtbaar in de gemeente en die gemeente heeft er dus alles aan te doen om vooral kerk te zijn. Wat dat vervolgens uitwerkt is niet aan die gemeente. Door eenvoudig een gemeenschap te zijn waar aanvaarding en verzoening geleefd worden zullen mensen aan het denken gezet worden.

 

Anderen zoeken het in – wat ik dan maar even noem – een lagere pretentie van de kerk. Ik denk aan wat men noemt Public Theology. De kerk moet aan het publieke debat deelnemen, maar op zo’n manier dat voor de inbreng vanuit de kerk geen bijzonder gezag geclaimd wordt. De heilzame lijnen vanuit de Schrift moeten zo vertaald worden dat ze algemeen inzichtelijk worden. Een beroep op de goddelijke herkomst dient vermeden te worden. De theoloog meldt zich dus bescheiden in het democratisch debat – en hij aanvaardt de grondstelling van dat debat: de moderne mens is een mondige, autonome mens.

 

God werkt

 

Mogelijk hebt u wel gemerkt dat beide benaderingen mij niet overtuigen, hoewel ik aansprekende momenten zie. Die kerk als contrastgemeenschap wordt me snel te drammerig. Hoe moet dat met mij in zo’n gemeenschap?, denk ik dan. Ik leef niet altijd in een helder contrast met de mensen om mij heen. Ik hoor wel de roeping vanuit het evangelie om anders te zijn, maar het schort er bij mij maar al te vaak aan. En als ik het in de afgelopen jaren waarin ik predikant ben goed gezien heb, ben ik daarin niet de enige. Is er in zo’n contrastgemeenschap echt ruimte voor de mensen die het niet redden om actief en bevlogen mee te doen? De andere variant lijkt me – ik moet kort zijn – uiteindelijk tekort te doen aan het gezag dat het woord van God opeist.

 

Maar wat dan? Het lijkt me van belang dat we goed bedenken dat het Woord van de Here niet een Woord is dat Hij heeft losgelaten en dat in onze hand ligt en door ons moet worden vertaald in allerlei (partij-)programma’s. De woorden van Johannes 19: 7 (Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven) mogen ons wat dat betreft te denken geven: je kunt je met Gods gebod in de hand God zelf van het lijf houden. Als de reformatoren de verschillende gebruiken van Gods wet onderscheiden, dan bedoelen ze daarmee niet allereerst de verschillende gebruiken die wíj van dat Woord kunnen maken. Nee – dan bedoelen ze daarmee de manieren waarop de Geest zich van dat Woord bedient. Wij leven niet in een lege wereld waarin wij een contrast moeten zien te vormen, of waarin wij onze christelijke visie zo algemeen verstaanbaar mogelijk moeten zien in te brengen. Wij leven in een wereld die door God wordt voortgedreven naar die dag dat Hij zijn recht aan het licht doet komen. Die belofte horen we zondag aan zondag in de kerk. Die belofte doet ons zien wat daar nu nog mee contrasteert, die belofte haalt de kramp van ons leven af en die belofte stelt ons in de vrijheid. Om het eerst zelf te horen en toe te eigenen. En dan ook verder te zeggen om ons heen. Ook tot de overheid die geroepen is dienares te zijn van die God die het zich zijn Zoon heeft doen kosten om ons vrij te maken.

 

Ds. C.C. den Hertog is predikant te Surhuisterveen

 

 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker