| door Jan Legemate
Het zijn weldoeners in de schaduw en onze kerken tellen er velen. Mensen die onbezoldigd, naast baan of ouderschap, veelal binnen een kleine stichting anderen helpen. De Wekker zet af en toe de schijnwerpers op georganiseerd vrijwilligerswerk van christelijk-gereformeerde broeders en zusters. Deze week komt in de reeks ‘Mooi werk’ André Buijs (47) aan het woord. Hij is kerkenraadslid van de Christelijke Gereformeerde kerk te Aalsmeer. En voorzitter van de stichting Familie Sponsorplan Roemenië (FSR).
,,Wij verlenen noodhulp en structurele hulp aan de allerarmsten in Roemenië. Noodhulp is voor de mensen die tekort hebben aan voedsel, medische zorg of kleding. Denk aan kinderen met een ziekte of ouderen die nergens meer aan geld kunnen komen. Onze andere tak is de structurele hulp: we bieden kansarme kinderen de mogelijkheid een beroepsopleiding te volgen.”
Hoe nodig is het nog dat Roemenië ontwikkelingshulp ontvangt? “Nog net zo hard als na de dood van Ceaucescu in 1989. Voor de echte armen is er vrijwel geen verbetering gekomen. Toen wij daar in de jaren negentig hulp begonnen te verlenen, dachten we dat we met tien, vijftien jaar wel weer weg zouden zijn. Twintig jaar verder leeft echter nog altijd dertig procent van de bevolking onder de armoedegrens. Sinds de economische crisis is de situatie juist verergerd. Roemeense arbeidskrachten in het buitenland keren terug omdat er geen werk meer is. Tot voor een paar jaar geleden konden mensen zelf hout sprokkelen. Dat mag nu niet meer. Met de strenge Roemeense winters staan mensen voor de keuze: zullen we vandaag eten of stoken? Levensmiddelen in Roemenië zijn soms nog duurder dan in Nederland. Stookhout kost zo’n drie- tot vierhonderd euro per jaar. Soms liggen mensen onder een aantal lagen dekens met dikke truien aan om het een beetje warm te krijgen. Schrijnend. Nu trouwens de voedselprijzen sterk zijn gestegen, krijgen we er weer extra problemen bij.”
In 2007 kwam Roemenië bij de Europese Unie, is er toen geen orde op zaken gesteld? “Wat ons betreft had het land nooit bij de EU mogen aansluiten. De infrastructuur is weliswaar verbeterd. En je ziet nu grote, luxe winkels. Een onwetende toerist zal zeggen: ‘Kijk eens, wat een mooie winkels hebben ze hier nu.’ Maar met een pensioentje van 65 euro in de maand of een salaris van 150 euro, durf je daar niet naar binnen.”
Corruptie “In alle lagen van de samenleving heerst corruptie. Leraren laten kinderen ‘verplicht’ bijles volgen bij hen thuis. Kinderen kunnen dus nooit op alleen goede cijfers afstuderen. Een diploma krijg je niet, dat koop je.
Een ander voorbeeld: een collega van ons Roemeense team wilde een vrouw met een hernia laten opereren. Aan de poort van het ziekenhuis wil de poortwachter geld. Voor een rolstoel moet je betalen. Om in de lift te kunnen, dien je een verpleegster wat toe te stoppen. De eerste vraag van de chirurg – die een dikke Mercedes rijdt – is niet ‘Wat mankeert u?’ Nee, hij vraagt: ‘Heeft u al geïnformeerd?’ Met ‘informeren’ bedoelt hij of de tegenpartij al het bedrag weet. Vijfhonderd euro, anders gaat hij niet aan de slag. De maand na de operatie had de vrouw nog steeds pijn. Ze is toen naar een andere en betrouwbare arts gebracht. Die liet de foto zien voor haar operatie en nu een maand later: geen enkel verschil. Die eerste chirurg heeft haar alleen opengesneden en dichtgenaaid.
Corruptie is wijdverbreid en de enige manier om daar wat aan te doen, is de namen bekendmaken van wie er zich schuldig aan maken. We merken bijvoorbeeld dat men bij de kinderen voor wie wij een beroepsopleiding mogelijk maken wel op hun hoede is, omdat er een organisatie achter hen staat.”
Hoe is de FSR daar begonnen? “Na de Revolutie in Roemenië had de EO een documentaire gemaakt over de verschrikkelijke toestanden in verzorgingsinstellingen daar. Na die documentaire doneerden veel mensen in Nederland geld aan de EO. Die gaf dat geld aan diverse stichtingen die daarmee renovatieprojecten opzetten in Roemenië. Na deze projecten werden er onderhoudsreizen opgezet. Via deze reizen leerden we vele Roemenen kennen en zagen we de armoede waarin ze verkeerden. Dit was voor een aantal vrijwilligers aanleiding om te starten met een sponsorplan.”
Hoe verlenen jullie in zo’n land hulp? “In het begin zijn er veel hulpverleners naar Roemenië gegaan. De meesten hadden echter geen idee hoe dit land ‘werkt’. Controle is altijd van groot belang. Er zijn renovatieprojecten tenietgegaan omdat personeel alle nieuwe dingen er weer uitsloopte om dat bij hen thuis te installeren. Er waren mensen vol goede bedoelingen die vanuit Nederland met een bus vol kleding en eten naar een Roemeens dorpsplein gingen en daar alles uitdeelden. Ze wisten echter niet dat dorpsbewoners de allerarmsten verhinderden op dat plein te komen. Dit soort situaties heeft tot veel teleurstellingen geleid. Wie hulp verleent in een andere cultuur, moet die leren kennen. Wij als bestuur in Nederland bemoeien ons niet direct met de mensen die we hulp bieden. We hebben in Roemenië enkele maatschappelijk werkers fulltime in dienst die verantwoordelijk zijn voor de uitvoer van de hulpverlening. Zij spreken de taal en zijn ter zake kundig.”
Totaalpakket Wij zijn een relatief kleine stichting. We kiezen bewust voor een kleine doelgroep. Zorg op kleine schaal, maar wel intensief en gericht op de lange termijn. Geen hulpverlening gebaseerd op grote, eenmalige acties. Wij leveren een totaalpakket. We helpen op maandbasis momenteel zo’n honderd gezinnen en veertig studenten. Daarnaast helpen we met kleding, warme schoenen voor schoolgaande kinderen, kachels, stookhout en dergelijke. De helft van de gezinnen die wij helpen, lukt het op gegeven moment weer om op eigen benen te staan. Jongeren die na hun beroepsopleiding een baan vinden, sturen weer geld naar hun families. Sommige Roemenen zijn zo apathisch – een erfenis van veertig jaar communisme – die weten geen manier meer om op eigen benen te kunnen staan. Wij leren hen bijvoorbeeld eigen groenten te verbouwen en leveren hen goed zaaigoed uit Nederland. Zo leren ze voor zichzelf te zorgen.”
En pastorale zorg? “Dat is niet de eerste insteek. Jezus hielp ook, zonder bijbedoelingen zogezegd. Onze medewerkers echter zijn christenen en zo vol van God, die spreken als vanzelf over wat hen drijft. Gek genoeg vinden Roemenen het altijd fijn als je met hen bidt. Of ze nu kerkelijk zijn, of niet. Wij hielpen eens een man die geen benen meer had. Hij had ook geen goede ogen meer en we gaven hem daarom een leesbril en een Bijbel om wat te lezen. Die man kwam in korte tijd tot geloof. Hij zei stralend: ‘Ik ben niet zielig, ik ben juist de rijkste man op aarde!’
We hebben ook lange tijd een arm gezin geholpen. Vader en moeder toonden nooit enig initiatief maar ze hadden drie bloedjes van kinderen en om hen bleven we toch maar hulp bieden. Ze woonden in een kleihut, hadden smerige kleren en vijf, zes jaar lang toonden die ouders nooit enige verbetering. We hebben veel met hen gepraat, ook over het geloof. Tot die man een pijnlijke hernia kreeg, maar geen geld om er wat aan te doen. Dat werd hem tot nood en hij begon te bidden. De volgende ochtend stond hij op en alle pijn was weg. Dat bracht hem tot God. Ik heb nog nooit mensen zó zien veranderen: de kinderen hadden schone kleren, het huis was netjes en die vrouw lachte weer.”
Zie ook www.fsrom.nl.
|