Artikel
2011-05-13

2 Koningen 4: 8-17

door J. Westerink

In 2 Koningen 4 ontmoetten we bij Elisa één van de armsten van de gelovige Israëlieten. We zijn geneigd te denken dat we die Israëlieten over het algemeen onder die bevolkingsgroep hebben te zoeken. “Niet vele rijken, niet vele edelen”. Het beeld dat Paulus schetst van de nieuwtestamentische gemeente van Corinthe is de eeuwen door van toepassing op de gemeente van de Heere. Toch gaat dat beeld niet altijd op. We ontmoeten ook rijken onder hen die de Heere vrezen.  Één van hen is deze vrouw.

De Bijbel duidt haar aan als de Sunamietische, naar de plaats waar ze woonde, in het noorden van Israël. Elisa kwam daar nogal eens, waarschijnlijk op doorreis naar Abel Mehola, de woonplaats van zijn familie. We kennen de naam van de vrouw niet, maar verder weten we wel het één en ander van haar. Ze wordt aangeduid als een “grote” vrouw (vs. 8, SV), een welgestelde, rijke vrouw die met haar man leefde op een welvarend boerenbedrijf. Haar man is kennelijk veel ouder dan zij is. Maar samen hebben ze het goed. Ze kunnen zich de nodige luxe veroorloven. Vijanden hebben ze niet. Ze hebben een goede plaats in de gemeenschap van Sunem.

Liefdedienst

Maar daarmee is niet alles gezegd. In de donkere tijd van Elisa is zij een vrouw die de Heere vreest. Dat blijkt al uit haar gastvrijheid tegenover Elisa. De Schrift zegt immers dat gastvrijheid typerend is voor Gods volk. Denk slechts aan het woord uit Hebr. 13 waar tot gastvrijheid wordt aangespoord met het argument dat daardoor sommigen onwetend engelen hebben geherbergd. En de Heere Jezus noemt het als kenmerk voor de schapen aan Zijn rechterhand.

Bij de Sunamietische richt de gastvrijheid zich heel nadrukkelijk op Elisa. Ze heeft in hem een man Gods herkend, zelfs iemand die niet zomaar hoort bij de profetenleerlingen. Nee, ze zegt tegen haar man: die Elisa is heilig, iemand die in bijzondere zin is afgezonderd tot de dienst van de Heere. Misschien heeft ze dat gezien aan het feit dat Elisa de profetenmantel van Elia droeg. Misschien heeft ze het van anderen gehoord. Misschien heeft ze het ontdekt toen ze hem regelmatig ontmoette. In ieder geval: ze heeft hem herkend als een man Gods. Daarom stelt ze haar man voor een kamer voor Elisa in te richten zodat hij daar kan uitrusten. Ze beseft: wie deze man ontvangt, ontvangt God Zelf in huis. Daar is het haar om te doen. Ze openbaart in haar zorg voor Elisa haar liefde tot de dienst  en het Woord van de Heere. Daarom maakt ze zich er ook niet met een minimum van af. In heel haar optreden proeven we de liefde tot het Woord van de Heere, waarvan Elisa de drager is. Allerlei woorden uit Psalm 119 klinken in haar handelen.

Levensverdriet

Misschien denkt u: dat is niet zo moeilijk als je alles hebt wat je hart begeert! In het leven van deze vrouw is echter een groot verdriet. Gehazi, de knecht van de profeet, maakt hem er op attent wanneer Elisa zich afvraagt hoe hij zijn dankbaarheid jegens zijn gastvrouw zou kunnen tonen. Het echtpaar is kinderloos en vooral ze hebben geen zoon. En gezien de leeftijd van de man valt kinderzegen ook niet meer te verwachten (vers 14). Kinderloosheid is vaak een groot en stil verdriet. Een diep verlangen wordt niet vervuld. De omgeving praat er soms zo gemakkelijk over. Binnen de gemeente wordt er soms zo goedkoop en werelds over gesproken.
In Israël werd kinderloosheid in het licht van de Schrift gezien als een straf van God. Geen kind en vooral geen zoon betekende geen toekomst in het land van God in de Messiaanse eeuw. In onze nieuwtestamentische bedeling is dat anders. Niet minder verdrietig, maar geestelijk ligt het anders nu de Heere onderweg naar de voleinding bezig is takken van de olijfboom af te hechten (Rom. 11).
Uit de reactie van de Sunamietische blijkt hoe groot haar verdriet was geweest toen het steeds duidelijker was geworden dat ze geen kind zou krijgen. De spanning die dat had meegebracht, wil ze niet weer meemaken. Haar woorden geven uiting aan een verborgen verdriet dat gebleven is, al had ze het gelovig verwerkt. Ze heeft de Heere lief Die haar verlangen niet had vervuld. Haar levenshouding wordt getypeerd met het “nochtans” van Asaf en van Habakuk.

Levensuitzicht

Terwijl deze vrouw eenswillend is geworden met wat de Heere doet, krijgt ze nu te horen wat Abraham te horen kreeg toen hij op het punt stond om Izak te offeren: “Nu weet Ik …” En dan hoeft het niet. Ze krijgt een zoon, een erfgenaam.
Zo gaat het niet altijd. Bedenk echter: Ze krijgt maar niet een kind, maar een zoon. Hun naam wordt bewaard voor de erfenis in de Messiaanse eeuw. Deze zegen is  geen tijdelijke maar een eeuwige zegen. Wat deze vrouw ontvangt, is de erfenis die in Christus is weggelegd voor allen die de Heere vrezen. Wie in die toekomst deelt, moet hier misschien veel missen, maar houdt alles over: vandaag genade die genoeg is. En morgen: wat God bereid heeft voor wie Hem vrezen.

Gespreksvragen 

1. Heeft Bijbelse gastvrijheid ook te maken met standpunten ten aanzien van abortus, euthanasie, met adoptie, pleegzorg, gastvrijheid tegenover vreemdelingen enz.? Zijn wij een gastvrije gemeente?

2. Beseffen wij het verdriet dat kinderloosheid mee kan brengen? Is daar in de gemeente wel aandacht voor?

3. Kent u in uw leven het “nochtans”van bijv. Ps. 73, Hab. 3. Hoe zou het komen wanneer het ontbreekt?

4. Zou u willen vertellen hoe u een kruis leerde dragen?

5. Leven wij in het licht van de toekomst?

Ds. J. Westerink is emerituspredikant van de Maranthakerk op Urk

 

 


Abonneer u nu op de RSS-feed van De Wekker