Waar moet je beginnen als je gaat schrijven over zending? Het antwoord lijkt voor de hand te liggen. Heeft de Here Jezus ons niet een duidelijke opdracht gegeven toen Hij zei: ‘gaat dan heen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest?’
Geschiedenis
Dat is waar. De basis voor al het zendingswerk in de wereld en dus ook voor het zendingswerk van onze kerken ligt in die opdracht die is vastgelegd in Mattheüs 28: 19 en 20 en die we kunnen aanvullen met woorden van de Heiland die Lucas heeft doorgegeven in Lucas 24: 47-49 en Handelingen 1: 8 en 9. Maar de Here Jezus houdt er volgens het slot van het Mattheüsevangelie zelf al rekening mee dat zijn woorden en dat zijn kerk een geschiedenis zullen doormaken. Hij belooft bij voorbaat die hele geschiedenis erbij te zullen zijn: ‘en zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld.’ Duidelijk is waar die geschiedenis zich zal voltrekken: tot in alle uithoeken van de aarde (Hand. 1: 9).
Wij leven inmiddels bijna tweeduizend jaar na het verklinken van Jezus’ woorden. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen hoe de elf discipelen die volgens het getuigenis van Mattheüs 28 die opdracht van hun Meester kregen, daartegenaan gekeken hebben. Hoe dan ook, een aantal weken na het ontvangen ervan – het is dan Pinksteren geweest! – zijn ze onder leiding van de Heilige Geest al druk bezig een organisatie op te zetten die we tot op de dag van vandaag kennen als de gemeente. De eerste vormt zich in Jeruzalem maar al gauw zijn er ook gemeenten in de (wijde) omgeving. En nadat Saulus tot apostel geroepen is, breidt de kerk zich uit tot de dan bekende uitersten der aarde. Uitersten die – weten wij sinds het einde van de Middeleeuwen – zich veel verder uitstrekken dan men in de dagen van de apostelen wist. Er zou een complete geschiedenis voor nodig zijn om heel de aarde kennis te laten maken met de bevrijdende boodschap van het evangelie. Die geschiedenis is nog niet ten einde. Tot op de dag van vandaag wordt gewerkt aan de opdracht van de Meester.
Het zuiden
Er is veel gebeurd, in de loop van die geschiedenis. De eenvoudige lijn die de Here Jezus aangaf: beginnen in Jeruzalem, dan door naar Judea, dan naar Samaria en vervolgens naar de uitersten der aarde (Handelingen 1: 8), zoals een in een vijver geworpen steen aan het wateroppervlak steeds wijdere kringen trekt, is nauwelijks meer terug te vinden. Jeruzalem verdween als centrum van het christendom en werd opgevolgd door Rome. Rome meent wel nog steeds het centrum te zijn maar heeft sinds de Reformatie die plaats al lang niet meer. Wat bleef over van Judea en Samaria? Maar we moeten verdergaan: wat bleef van het christendom over in landen als het onze, waar het christelijk geloof voor altijd wortel geschoten leek te hebben?
In 2010 zijn grote zendingsconferenties gehouden in Edinburgh en in Kaapstad. Alleen al aan de huidskleur van de deelnemers (honderden in Edinburgh en duizenden in Kaapstad) was te zien, dat het christendom getalsmatig niet meer gedomineerd wordt door westerse christenen maar door christenen uit wat vroeger ‘de Derde Wereld’ werd genoemd, maar tegenwoordig kortweg ‘het zuiden’ wordt genoemd. Daar groeit en bloeit de kerk, terwijl zij in het westen een moeizaam bestaan leidt.
Bescheidenheid
De gedachte dat wij als westerlingen zending kunnen bedrijven vanuit solide kerken die een woord hebben voor rest van de wereld die in veel opzichten op ons achterloopt – dus ook in kennis van het evangelie! – hebben we allang moeten bijstellen. Het is een bizar gegeven dat ook in veel van onze kerken (o.a. zendings!)diensten gehouden worden in degelijke jaren–’30 gebouwen, die ruimte bieden aan honderden mensen maar waarvan de gaanderijen leeg zijn en de benedenverdieping schaars gevuld. Die kerken werden gebouwd in de tijd dat we als christelijke gereformeerden eindelijk de middelen hadden om zendelingen eropuit te sturen met onvergetelijke namen als Bikker en Geleynse (1928-1930) met in hun kielzorg onderwijzers en artsen.
Ondanks het feit dat we over de middelen niet te klagen hebben en we tegenwoordig een veelvoud kunnen doen van het werk dat in de jaren ’30 van de vorige eeuw kon worden aangepakt, past ons in de relatie met de kerken die (mede) uit ons zendingswerk ontstaan zijn en met nieuwe zendingspartners een bescheiden houding. Ons kan immers de vraag gesteld worden wat er bij ons gebeurd is met het de gehoorzaamheid aan het evangelie dat we met inzet van al die middelen elders gebracht hebben en nog steeds brengen. Hoe kan het dat onze kerken leeglopen? Waar blijven onze jongeren? Vragen die het zuiden in allerlei varianten aan alle kerken in het westen voorhoudt. En die kerken in het zuiden er steeds vaker toe brengt ernstig na te denken over het sturen van zendelingen naar onze landen! Niet voor niets werd er in onze generale synode hardop nagedacht over de mogelijkheid zending in Europa te gaan bedrijven. En niet voor niets wordt steeds minder het verschil tussen de woorden ‘zending’ (buitenland) en ‘evangelisatie’ (binnenland) gezien. Is dat verschil er nog wel?
Nieuw zendingswerk
Intussen blijven we toch met zending bezig. In het buitenland. De steen die ooit in de vijver werd geworpen brengt ons naar Burundi, Thailand en Siberië. Nieuwe gebieden naast Sulawesi, Venda, KwaNdebele, Botswana en Mozambique.
Nieuwe gebieden in een veranderde wereld. We realiseren ons bij Thailand en Burundi en zelfs bij Siberië (!) dat we met het zuiden te maken hebben. Niet met de ‘rest van de wereld’ die zo nodig geconfronteerd moet worden met de zegeningen die wij vanuit het westen kunnen verspreiden, maar met delen van de wereld, waarin de Here God door de kracht van zijn Woord en van de Heilige Geest zèlf gezorgd heeft voor de rimpelingen in de vijver. Zo groeide in de tijd dat de wereld nog verdeeld leek in drie delen, waarvan de eerste twee in een koude oorlog tegenover elkaar stonden, in de Tweede Wereld ondergronds een kerkgemeenschap waarvan we nauwelijks iets wisten. Mensen in het uiterste noorden van Siberië (Tajmyr) bemoedigden elkaar in een lijdende kerk met het evangelie van hun gekruisigde en opgestane Heiland. Hoewel hun omstandigheden verbeterd zijn, staan ze nog altijd op scherp om desnoods van de ene dag op de andere weer ondergronds te gaan. Hen stellen we vanuit Nederland de vraag hoe we hen het beste kunnen helpen kerk te zijn in hun land en in hun omstandigheden.
Op een wonderlijke manier kwamen we via een asielzoeker die onderdak vond in één van onze gemeenten in contact met een kleine kerkgemeenschap in Burundi. Met het evangelie zijn ze daar al op de hoogte. De Here ging ook daar zijn eigen gang. Er zijn gemeenten, er zijn predikanten. Maar ze zeggen zelf nog zoveel meer nodig te hebben en doen daarvoor een beroep op ons. Willen we hen helpen bij het opbouwen van hun kerkelijke leven? Kunnen we antwoord geven op vragen die bij hen leven?
In Thailand is een groot gebied waar nog nauwelijks kerken zijn. Bestaande kerken zijn niet sterk genoeg om de witte velden te bewerken. Vooral in streken waar de welvaart van het land maar niet wil doordringen is hulp dringend nodig. Voortrekkers zijn die kant al opgegaan en richten kleine thuisgemeenten op. Het is moeilijk werken tegen de druk van het boeddhisme in. Wie de Here Jezus leert kennen en de vergeving van zonden hoort een boodschap die haaks staat op de werkelijkheid van iedere dag, waarin je geleerd wordt dat lijden gewoon je eigen schuld is en dat je met offers en goede daden moet proberen in een volgend bestaan hogerop te komen. Wat moet je dan met een Heiland die zich voor jou aan een kruis liet spijkeren?
Helpen en geholpen worden
We gaan helpen. In Siberië en in Thailand en in Burundi. Met een dikke streep onder het woord ‘helpen.’ Hoe kunnen we de middelen die wij gekregen hebben inzetten om mensen die in hun eigen omgeving op hun eigen wijze leven vanuit het evangelie van de Here Jezus Christus helpen kerk van Hem te zijn? Tegelijk hopen en bidden wij dat die zusters en broeders ons helpen. Met wat we leren kunnen van hun liefde tot God en de Here Jezus, hun doorzettingsvermogen, hun geduld, hun manier van omgaan met de Bijbel, hun gehoorzaamheid aan Gods geboden, hun onderlinge liefde, hun nederigheid, hun aandacht voor jongeren, hun offerbereidheid – en wat al niet meer.
Ds. A. Hilbers is zendingsconsulent van onze kerken en woont te Veenendaal
Burundi nieuw zendingsgebied CGK 120e jaargang, 4 februari 2011, nummer 3
2011-02-04
‘Burundezen hebben honger naar het Woord’
door Anne-Wil Jens
Tijdens de laatstgehouden synode besloten de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) aan het werk te gaan in drie nieuw zendingsgebieden, onder andere Burundi. Contacten met de enige, reformatorische kerk in Burundi ontstonden afgelopen jaren via de Culemborgse christelijk-gereformeerde broeder I. Nimpagaritse, afkomstig uit Burundi. In Nederland kwam hij tot geloof en kreeg hij het verlangen het Evangelie in zijn thuisland te verbreiden. “De kerkgebouwen in Burundi zijn in slechte staat, maar toch zie je de wil om elkaar te ontmoeten en diensten te houden.”
Tijdens de burgeroorlog in Burundi (1993-2003) kwam broeder Nimpagaritse naar Nederland. Als voormalig minister was hij het niet eens met de regering en daarom werd hij bedreigd. “Een Franstalig land zou meer voor de hand liggen, maar als je op de vlucht bent, heb je geen tijd om uit te zoeken waar je heen wilt. Meerdere keren heb ik gevaarlijke situaties meegemaakt, maar die heb ik steeds overleefd. Mijn komst naar Nederland is Gods leiding geweest. Hij had hier een taak voor mij.”
Asielzoekerscentrum Nimpagaritse kwam terecht in het asielzoekerscentrum in Zwolle en vervolgens in Culemborg. “Er was een comité van diakenen en ouderlingen van de CGK in Culemborg die ons op zondag ophaalden om de kerkdienst bij te wonen. Doordeweeks hielpen ze ons met de taal en deden ze Bijbelstudie met ons. Er waren mensen uit diverse landen. Zelf hielp ik mee met het pastorale werk door de Bijbelstudie te vertalen voor de asielzoekers die geen Engels konden verstaan.” Het merendeel van de asielzoekers kwam namelijk uit Franstalige landen. Twee jaar later werd hij herenigd met zijn vrouw en kinderen die naar Nederland kwamen. Inmiddels had hij de beschikking over een huis. “Ik heb het ervaren als Gods leiding. Hij wist dat mijn kinderen zouden komen en heeft mij een huis geschonken dat groot genoeg is voor mijn gezin. Ik heb veel goeds uit Gods hand mogen ontvangen. Daarvoor ben ik dankbaar.”
Rijkdom Nimpagaritse groeide in Burundi op in een rooms-katholiek gezin. In 1996 kwam hij in contact met protestantse kerken toen hij in Kenia woonde. Tijdens de Bijbelstudies in het asielzoekerscentrum ging de Bijbel meer voor hem leven. Ook werd hij zich bewust van de ‘rijkdom van de Reformatie’, zoals hij zelf zegt. “Calvijn ging zo diep. Hij heeft diepe analyses geschreven over het Woord. Door de Reformatie is duidelijk geworden dat het Woord van God een eenheid is. Het is een richtlijn voor elke christen. Elke christen zou moeten beschikken over een Bijbel om die elke dag te lezen.”
Broeder Nimpagaritse is door de Église Protestante Reformée de Burundi (ERPB, zie kader) gevraagd als evangelist mee te werken aan de stichting van reformatorische kerken in Burundi. De ERPB telt nu zo’n zeventien gemeentes verdeeld over acht provincies in Burundi. De CGK wil de ERPB ondersteunen bij het geven van theologisch onderwijs, zodat predikanten goed opgeleid worden en hun kennis over de Bijbel en dogmatiek zal toenemen. “De reformatorische leer is eigenlijk vrij nieuw voor Burundezen. Men is vooral gewend aan pinkster- en evangelische gemeenten. In de pinkstergemeente lijkt het soms net of er voodoopraktijken plaatsvinden. In de ERPB heeft juist de preek een bijzondere plaats in de eredienst.”
Nimpagaritse is momenteel bezig om onder andere de Drie Formulieren van Enigheid te vertalen in het Kurundi, de hoofdtaal van Burundi. Ook het doop- en het avondmaalsformulier moeten vertaald worden. Nimpagaritse is inmiddels klaar met de vertaling van de Heidelbergse Catechismus en is inmiddels begonnen aan de Dordtse Leerregels. Samen met ds. L. Butter en ds. G. Drayer heeft hij in juli 2009 een bezoek gebracht aan de Hope Africa University in Bujumbura, de hoofdstad van Burundi. Op deze theologische faculteit worden de toekomstige predikanten van de ERPB opgeleid. Zij zullen worden onderwezen in de reformatorische leer. “We hopen dat meer jongeren deze opleiding gaan volgen, waardoor de kerk snel zal groeien.”
Toekomst Nimpagaritse is erg optimistisch over de kerk in Burundi. “Burundezen hebben honger naar het Woord. Vorig jaar mei was ik in één van de gemeentes waar zo’n honderd mensen aanwezig waren. Het dak van het gebouw was niet goed meer en het ging regenen, maar de mensen bleven tot het einde van de dienst. De kerkgebouwen zijn in slechte staat, maar toch zie je de wil om elkaar te ontmoeten en diensten te houden. Ze proberen wel zelf iets te bouwen, maar de kwaliteit van het bouwmateriaal is niet goed. Daarom is er steun nodig. Mijn droom is dat met financiële steun van Nederlandse kerken in Burundi kerkgebouwen neergezet kunnen worden. In Burundi is er vanuit de overheid geen bezwaar tegen de reformatorische leer. De wegen zijn open voor ons. Wij hopen meer Burundezen de goede boodschap van de Bijbel mee te geven, zodat Gods koninkrijk zal groeien.”
Kader 1: EPRB, reformatorische kerk in Burundi De Église Protestante Reformée de Burundi (EPRB) is in 2001 geïnstitueerd en wil temidden van 230 andere denominaties (voornamelijk charismatisch en rooms-katholiek) het spoor van de Reformatie volgen. De kerk bestaat uit veertien gemeenten met zeven predikanten en een ledenaantal van ongeveer 1200 zielen. Van de predikanten heeft er één, ds. J. Bararu, een vierjarige theologische opleiding genoten. De anderen hebben slechts enige vorming, voornamelijk gegeven door ds. Bararu zelf. De ERPB heeft dezelfde belijdenissen als de CGK en het kerkelijk leven is op ongeveer dezelfde manier gestructureerd. Enkele jaren geleden kwam de EPRB in contact met br. I. Nimpagaritse. De EPRB heeft broeder Nimpagaritse gevraagd als evangelist mee te werken aan de opbouw en vorming van hun kerken.
Kader 2: Zendingswerk in Burundi Komende jaren hopen Deputaten Buitenlandse zending uitvoering te geven aan onderstaande opdrachten voor het zendingswerk in Burundi: 1. Predikanten en theologen van de CGK gaan met regelmaat naar Burundi om theologisch onderwijs (in cursusvorm) te geven aan Burundese predikanten en ouderlingen van de EPRB. 2. De CGK stelt studiebeurzen beschikbaar voor EPRB-predikanten en -ouderlingen om te studeren aan de theologische opleiding van de Amerikaanse Methodistenkerk in Bujumbura, de hoofdstad van Burundi. 3. Deputaten bezinnen zich op de vraag hoe Burundese theologen verder te kunnen vormen in de reformatorische theologie, en geven daar praktische uitvoering aan. Ds. J. Bararu zal als eerste extra studie volgen.
Doen we aan zending of … zijn we zending? 120e jaargang, 8 juli 2011, nummer 14
2011-07-08
door J. van ’t Spijker
In verschillende gemeenten komt de vraag op tafel of er meer aandacht gegeven zou moeten worden aan het missionaire aspect van het gemeente zijn. Want: vraagt onze tijd daar niet om? Dat levert soms stevige discussies op over de vraag hoe je dan aan dat missionaire aspect invulling zou moet geven. Maar, gaat het niet eerst nog om een andere vraag …!
Het eerste wat gezegd moet worden wanneer we in gesprek komen over het al of niet missionair zijn van de gemeente is dat de gemeente van Christus is. Dat laat de Bijbel zien. In Matteüs 16: 18 lezen we hoe Jezus reageert op de belijdenis van Petrus dat Jezus de Christus is. Jezus zegt dan: “... Ik zal mijn gemeente bouwen ...!” Datzelfde kunnen we aanwijzen in het zendingsbevel zoals Matteüs het weergeeft aan het eind van zijn evangelie (Matteüs 28: 19). Daar zegt Jezus: “... maakt al de volken tot mijn discipelen ...!” Naast deze gegevens is in het bijzonder te wijzen op het beeld van het lichaam zoals dat in de brieven van het Nieuwe Testament gebruikt wordt. De gemeente is het lichaam, waarbij duidelijk is dat Christus het hoofd is (zie o.a. 1 Korinte 12: 27 en Efeze 4: 12 en 15).
De Catechismus zegt daarom terecht dat de Zoon van God Zich uit de gehele mensheid een gemeente vergadert (HC zondag 21, v&a 54) en de Nederlandse Geloofsbelijdenis stelt om die reden ook dat het er in de kerk om gaat “de hals te buigen onder het juk van Jezus Christus” (art. 28). “Want Christus is een eeuwig Koning, die niet zonder onderdanen kan zijn” (art.27). De gemeente is van Christus.
Christus bepaalt het beleid
Dat betekent meteen dat Christus ook bepaalt wat de taak van zijn gemeente op aarde is. Het is daarom van belang te letten op wat Christus zegt wanneer het om die taak gaat. In dat verband vinden we door alle evangeliën heen telkens weer aanwijzingen die duidelijk maken dat de gemeente juist naar de wereld toe een geweldige verantwoordelijkheid heeft. Heel direct kan daarvoor worden gewezen op de opdracht die de opgestane Heiland gegeven heeft om met het evangelie de wereld in te gaan. Daarnaast is te wijzen op andere gedeelten waarin Jezus zonder meer de betekenis van de aanwezigheid van de gemeente laat zien. Zo is te denken aan wat Jezus zegt in de bergrede: “gij zijt het zout der aarde” en “gij zijt het licht der wereld” (Matteüs 5: 13 en 14). Bij deze woorden van Jezus gaat het zonder meer over het ‘missionair aanwezig zijn’ in de wereld, want Jezus voegt er aan toe: “laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.”
Naast deze gegevens uit de evangeliën moet in ieder geval nog gewezen worden op de woorden die Jezus sprak vlak voor zijn hemelvaart. Daar krijgen de discipelen op hun concrete vraag hoe het nu verder zal gaan ten antwoord dat ze in en door de kracht van de heilige Geest getuigen van Jezus zullen zijn, te beginnen in Jeruzalem en tot het einde van de aarde (Handelingen 1: 8). Wanneer we daarbij letten op de werkwoordsvorm die gebruikt wordt, kan gezegd worden dat Jezus daarmee bedoeld heeft dat het bestaan en de handel en wandel van zijn gemeente gekarakteriseerd en bepaald zullen worden door dat getuige zijn van Hem. Om die reden kan gezegd worden dat Lucas in het vervolg van het boek Handelingen steeds weer laat zien hoe de gemeente gestalte heeft gegeven aan dit woord van Jezus. Vanuit de gemeente is steeds weer een getuigenis uitgegaan, naar de mensen rondom. Dat begon op Pinksteren, en zette zich voort tot aan het einde van het boek waar beschreven wordt dat het evangelie het einde van de toenmalig bekende wereld, Rome, had bereikt. De gemeente bleek een lichtend licht en een zoutend zout: in woorden en daden was het bestaan van de gemeente een sprekend getuigenis. (Des te schrijnender zijn in dat licht de donkere bladzijden die uit de eerste tijd van de gemeente verteld worden. Maar die donkere bladzijden nemen niet weg wat het wezen van de gemeente bepaalde.)
Een eerste conclusie
Wanneer we samenvatten wat we tot hier toe gezegd hebben, wordt duidelijk dat het ‘missionair aanwezig zijn in de wereld’ onmiskenbaar tot het wezen van de gemeente van Jezus Christus behoort. Het is niet maar iets wat erbij komt maar het karakteriseert het hele bestaan van de gemeente. In dat verband wijs ik op de woorden die Jezus in de bergrede koppelt aan de uitspraken over het zout der aarde en het licht der wereld zijn. Hij zegt dat het zout, wanneer het zijn kracht verliest, nergens anders meer toe deugt dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden. Van het licht zegt Hij dat een stad die op een berg ligt, niet verborgen kan blijven, en dat je een lamp niet onder de korenmaat zet (Matteüs 5: 13-16). Wanneer we die woorden in hun verband lezen, geven ze nog eens duidelijk het belang van het ‘missionair aanwezig zijn’ aan. Het missionair aanwezig zijn van de gemeente hoort als een wezenlijk bestanddeel bij het gemeente zijn. Het is een onmisbaar ingrediënt dat thuis hoort in de gemeente, om een uitdrukking van Stefan Paas te gebruiken. Wanneer het missionaire niet aanwezig is, wordt de gemeente naar de wereld toe een ‘smakeloos’ gebeuren.
De Koning zet zijn werk voort
Daarmee is nog niet alles gezegd. Ik wijs nog een keer op de woorden van Jezus aan het begin van het boek Handelingen. Wanneer het daar gaat over de komst van de heilige Geest in wiens kracht de discipelen getuigen van Jezus zullen zijn, dan kan en moet op grond van dat gegeven gezegd worden dat de Heilige Geest ten volle betrokken is in dat getuige van Jezus zijn. Hij is er niet alleen maar de Initiator van (denk aan de gebeurtenissen op Pinksteren) maar Hij is het tegelijk ook die steeds weer de gemeente motiveert, stimuleert en activeert om echt gestalte te geven aan dat getuige zijn van Jezus. Telkens weer in het boek Handelingen lees je dat de Heilige Geest mensen vervult die vervolgens, vol van de Heilige Geest, getuigen. In woord en daad, en met kracht (zie o.a. Handelingen 4: 8; 6: 10; 7: 55; 8: 29 enz.). Door de Geest krijgt het missionair aanwezig zijn van de gemeente vorm, krijgt het handen en voeten en vindt het heel concreet plaats.
Daarom …
Dat is een veelzeggend gegeven. Wanneer we ons realiseren dat de Heilige Geest de Geest van Christus is, kan gezegd worden dat we in het boek Handelingen uiteindelijk zien hoe Christus zelf door zijn Geest het werk waartoe Hij gekomen is voortzet. Hij is gekomen, zegt Hij in het evangelie, “om het verlorene te zoeken en te redden” (zie o.a. Lucas 19: 10). Dat werk zet Hij voort, ook na zijn hemelvaart, door zijn Geest, die zijn intrek nam in de gemeente om het getuige zijn van de gemeente op gang te brengen en gaande te houden. Dat betekent dus dat Christus zijn gemeente inschakelt en wil gebruiken in het werk waartoe Hij naar de aarde gezonden werd. Om die reden is met des te meer stelligheid te zeggen dat het missionair zijn bij het gemeente zijn hoort. De gemeente doet maar niet wat aan zending. Het hoort bij haar wezen. Door zijn gemeente wil Christus tot op de dag van vandaag aan de wereld laten zien dat Hij het verlorene zoekt. Om het te redden!
Jezus zegt tegen zijn gemeente: je doet niet aan zending. Nee, je bént zending. “Laat zo uw licht schijnen!” Laat zien dat je mijn gemeente bent. Wees zout! Wees zichtbaar!
(Drs. J. van ’t Spijker is predikant te Hoogeveen en parttime docent Missiologie, Evangelistiek en Urban Mission aan de TUA)