door Jilke Tanis
Het leven van een visser ging vroeger bepaald niet over rozen. D. Taal (72) uit Scheve-ningen viste jarenlang in de wateren van Europa. En dat betekende hard werken en weinig slapen. ,,Ik vaar allang niet meer, maar ik blijf een zeeman.”
Toen ik 15 jaar was, ben ik naar zee gegaan. De eerste jaren op het schip waren onmenselijk hard. Er waren weken bij dat je maar zeven á acht uur sliep en dat je, als je ‘s avonds laat van vermoeidheid op het dek zat te dommelen, van een van de matrozen een schep zoute haring over je hoofd kreeg. De visserij was toentertijd erg armoedig. Het eten was weinig gevarieerd en een toilet had je niet, je deed je behoefte gewoon over de reling. Vers water gebruikten we alleen om het eten in te koken en voor de koffie en de thee. Bij mooi weer in de zomer deed je een duikje in zee om schoon te worden en anders waste je je met water uit een emmertje. Ik heb het wel meegemaakt dat matrozen hun baard afscheerden met de thee die op zondagmid-dag geserveerd werd. Normaal vraag je je misschien af hoe je zoiets volhoudt, maar wij wis-ten niet beter. Het visser zijn zat in ons bloed.
Op zondag hielden we vaak een dienst met de matrozen. Dan lazen we uit De Godvrezende Zeeman, een prekenboek voor zeelui. Daarna zongen we een versje, aten een boterham en deden onze plicht.
Later hielden we wel diensten op het hospitaalkerkschip de Hoop, een schip met daarop een dokter en een dominee die meevoeren. Zij voeren naar de plaats waar de meeste zeelui zich concentreerden. Als het mooi weer was probeerden we zo dicht mogelijk bij het hospitaal-kerkschip te gaan liggen. Dan werden we opgehaald met een motorbootje en hielden we met z’n allen op het schip een kerkdienst, kregen koffie of keken een filmpje.
Het enige contact dat je met het thuisfront kon hebben ging via de radiodienst, via de visserij-golf. De kerkdienst op zondag werd ook op de radio uitgezonden, zodat moeder de vrouw mee kon leven. Als je contact met het thuisfront wilde, kon je op bepaalde tijden een ‘roepje’ doorgeven via Radio Scheveningen. Heel Scheveningen kon die golf ontvangen en je wist dan ook dat iedereen meeluisterde. Ik moet nog altijd glimlachen als ik aan die keer denk dat ik een huis kocht via de Scheveningen Radio. Mijn vrouw en ik woonden de eerste jaren van ons huwelijk in bij onze schoonouders, maar keken uit naar een eigen woning. Op een avond kwam er iemand op het dek naar me toe met de mededeling dat er een oproep voor me was. Ik schrok me naar, want normaal kreeg je dat alleen bij hoge uitzondering. Het was mijn vrouw met de mededeling dat er een leuk huis te koop stond en dat we moesten beslissen of we het wilden hebben. Waar het huis stond, kon mijn vrouw niet zeggen, in verband met de ‘meeluis-teraars’, maar ze vertelde me dat het tegenover het huis van neef Jan was. ,Ja, doe dan maar,’ zei ik en zo zijn we aan dat huis gekomen. Zo ging dat in die tijd, maar je wist niet beter.
Als ik terugkijk op deze periode in mijn leven, kan ik alleen maar zeggen dat de Heere gehol-pen heeft. We hebben menig zware storm gehad, maar ik heb nooit in angst gezeten. Eén keer ben ik trouwens wel bang geweest. Het was in de beginjaren dat ik rond een uur of zeven wakker werd doordat het schip enorm tekeer ging. Het water stroomde naar beneden in de kooien, onze klompen dobberden door het schip heen. Samen met een andere jongen ging ik naar boven en daar zagen we alleen de brug van het schip nog. De schipper heeft er samen met de matrozen álles aan moeten doen om het schip recht te houden.
Op 37–jarige leeftijd ben ik gestopt als visser en heb ik tot ik 57,5 jaar was bij de Girobank gewerkt. Doordat ik zo vaak op zee was, heb ik toen ik 40 jaar was belijdenis gedaan in de kerk. Een tijd later werd ik gekozen als diaken en na 12 jaar werd ik hulpkoster in de gemeen-te. Mijn vrouw en ik zijn daar nog steeds verwonderd over.
Ik heb een rijk en gezegend leven gehad. Overdoen kan niet meer, maar ik geloof dat ik, als alles nog hetzelfde was als 50 jaar terug, dezelfde keuzes had gemaakt. Je wordt als zeeman geboren. Ik vaar allang niet meer, maar ik blijf een zeeman.
J. Snoek uit Urk maakte in 1953 de Watersnoodramp van dichtbij mee. Als visser op het schip van zijn vader hielp hij in Zierikzee bij de hulpverlening tijdens de grote ramp. Met enige bescheidenheid vertelt hij zijn verhaal.
Het was zondagnacht 1 februari 1953. Mijn vader hoorde de wind loeien en de zee was onge-kend hoog. De radionieuwsdienst sprak over een ramp en we wisten dat het goed mis was. De volgende ochtend wachtte mijn vader op weg naar de kerk een aantal kameraden op. Met vijf schippers zijn ze toen in de enige luxewagen die Urk rijk was naar Breskens gereden, waar mijn vaders schip lag. Niet alleen om te kijken of de schepen nog intact waren, maar ook om te zien of ze wat konden betekenen in het rampgebied. Inmiddels was duidelijk geworden dat de situatie zeer ernstig was en mijn vader trommelde ook de rest van de bemanning op om naar Breskens af te reizen om te gaan helpen in Zeeland.
Met twee bussen zijn we toen naar Breskens gegaan. Eenmaal aan boord voeren we naar Vlis-singen en daarvandaan met een loods binnendoor naar Zierikzee. Ik herinner me nog goed hoe slecht de situatie in Zierikzee was. Her en der lagen schepen op de kade en het water stond enorm hoog. Op foto’s uit die tijd kun je ook wel zien dat het hotel en de huizen achter de dijk compleet onder water stonden.
De kotter van mijn vader was een belangrijke spil bij de hulpverlening omdat we vanaf het schip heel veel informatie konden doorgeven aan de autoriteiten. Verder hebben we vooral geholpen sloepen over de dijk te trekken. Eerst werden die sloepen gebruikt om evacués te helpen, maar toen de helikopters dat overnamen werden ze gebruikt om zoveel mogelijk huis-raad te redden. Ik herinner me een meisje dat gered was en als een dartelend lammetje de he-likopter uitkwam.
In 1953 was ik 19 jaar en als bemanningslid op het schip van mijn vader gedurende de red-dingsperiode verantwoordelijk voor het bijhouden van de motor. Ook kokkerelde ik wat en hielpen we de andere schepen bij het proviand.
Mijn vader is altijd een leider geweest en was gedurende deze missie nauw betrokken bij de besluitvoering. In een van de boeken die later over de ramp verschenen werd hij dan ook een ‘onbetwist coördinator genoemd’.
Veertien dagen bleven we in Zierikzee liggen. In de periode erna kreeg mijn vader een briefje om naar het gemeentehuis te komen waar hij en medaille kreeg. ,,Die hoef ik niet,’’ zei hij, ,,geef hem maar aan de bemanning.” Zo was mijn vader. Hij verrichte grote daden, maar wil-de daar niet de eer voor krijgen.
Het leven van een visser op Urk was zwaar. Ik herinner me goed dat er een binnenschip met een lading bieten verging. We trokken eropuit om te kijken of we wat van het schip konden vinden. Met onze netten hebben we toen een vierjarig jongetje opgevist, een van de verdron-ken leden van het schip. Dat zijn beelden die je nooit meer vergeet. Een andere keer kregen we een melding van een schip dat vergaan was. Het was donker buiten en met onze lampen vonden we ergens op het water een olievlek. De volgende morgen bleek dat we rakelings langs het vergane schip gevaren hadden en er net niet op zaten.
Zo kan er aardig wat passeren in een mensenleven. Inmiddels ben ik 75 jaar en stap ik één dezer weken uit het ambt als ouderling in de Eben Haëzerkerk. 25 jaar mocht ik dienen, nu moeten de jongeren het maar overnemen. Maar ik kan je zeggen dat uit het ambt gaan even moeilijk is als er ingaan.
Ik vertelde de jongeren op huisbezoek graag het verhaal over de wonderen die God doet. In de tijd dat Urk nog echt een eiland was, waren er tijden in de winter dat we afgesloten waren van de buitenwereld. Mijn moeder was 12 jaar toen ze tijdens een strenge winter ziek werd en mijn opa van de dokter te horen kreeg dat mijn moeder zou sterven. Mijn opa sprak daar met iemand over, die hem vroeg wat de grote Medicijnmeester ervan zei en samen baden ze. Na het gebed vertelde hij mijn opa dat mijn moeder niet zou sterven en dat ze de volgende och-tend weer beter zou zijn. En inderdaad, mijn moeder was de volgende morgen weer gezond. Zó groot is de algemene goedheid van God!
Inmiddels ben ik zelf oud en voel ik de ouderdom langzaam aanwakkeren. Als ik nou weer vissen moest en dat kon met dezelfde vrijheid, dan zou ik er weer voor kiezen. Het belangrijk-ste is als je aan het eind van de rit maar mag weten: ,,Wat zal ik met Gods gunsten overlaân.”
Foto’s: Leonard Walpot |