jaargang 131, nr.17, 19 augustus 2022

Wij hebben niet alle brieven van Paulus beschikbaar. Aan Korinthe schreef hij meer brieven dan de twee uit het Nieuwe Testament. Er is sprake van een brief van Paulus aan Laodicea. Stel dat een van deze brieven alsnog gevonden wordt, zou de Bijbel dan voortaan 67 boeken tellen? Waarom horen boeken wel of niet tot de canon?

Voor wie erbij opgroeit, lijkt het zo vanzelfsprekend wat er bij de Bijbel hoort en wat niet. 66 boeken, handig om ze uit je hoofd te kennen. Maar als je rondkijkt in de kerk wereldwijd en in de geschiedenis blijkt het toch minder eenduidig te zijn. De Rooms-Katholieke Kerk heeft nog elf ‘deuterocanonieke’ geschriften (of toevoegingen aan canonieke boeken), die aanspraak maken op hetzelfde gezag als de andere Bijbelboeken. De canonlijsten van verschillende Oosters-Orthodoxe kerken zijn nog weer anders, zowel wat het aantal apocriefe boeken betreft als welk gezag eraan wordt toegekend.

Apocriefe boeken
Christenen in de tijd van de Reformatie hadden apocriefe boeken eeuwenlang gelezen als gezaghebbende heilige geschriften. Het is nauwelijks voor te stellen wat het geweest moet zijn om daar afscheid van te nemen. Guido de Brès stelt in de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat de kerk deze boeken wel mag lezen; dat wil zeggen: ze lezen in de samenkomst van de gemeente, zoals men gewend was. De synode van Dordrecht (1618-1619) maakte aan dit gebruik in de eredienst een einde. De praktijk onder protestanten is geworden dat ze helemaal niet meer gelezen worden. Maar onze belijdenis spreekt positief over de apocriefe boeken: al hebben ze geen goddelijk gezag en staan ze onder de canonieke boeken, er valt wel onderwijs uit te ontvangen. Van een verbod of ontrading is geen sprake en er is heel wat slechtere lectuur.
In de vroege kerk hadden de apocriefen langzaamaan steeds meer gezag gekregen. Ze maakten bovendien deel uit van de Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament. Dát was de Bijbel van de vroege kerk, niet de Hebreeuwse tekst. Toen Hieronymus bij zijn Latijnse vertaling teruggreep op de Hebreeuwse tekst, maakte Augustinus daar bezwaar tegen, onder andere omdat de Septuaginta wordt aangehaald in het Nieuwe Testament en explicieter naar de Messias verwijst. Terugkeer naar de Hebreeuwse tekst en de Hebreeuwse omvang van de canon, zoals de Reformatie die bepleitte, is een grote stap geweest.

Variatie
Nieuwe gegevens en nieuw onderzoek maken duidelijk dat de canonvorming een complex gebeuren is geweest. Dat gaat nog verder terug dan de opname van de apocriefe boeken in de vroege kerk. In de woestijn van Juda, met name in de grotten van Qumran, zijn in de twintigste eeuw veel boekrollen gevonden uit de eeuwen rond het begin van de jaartelling. Enerzijds blijken vrijwel alle boeken van het Oude Testament aanwezig te zijn – blijkbaar waren die bekend en hadden ze een bepaald gezag. Anderzijds zijn er ook andere geschriften die veel voorkomen en is er variatie in de tekst van sommige boeken. Zo zijn in Qumran ook verschillende apocriefe psalmen gevonden (door wetenschappers genummerd als 151 en volgende), die soms tussen de canonieke psalmen instaan. Werden deze liederen in Qumran ook als gezaghebbend gezien of werd dat onderscheid niet zo strak gemaakt?
In de tijd rondom het begin van de jaartelling is sprake van een grote variatie aan geschriften die werden doorgegeven. Tegelijk is duidelijk dat er ondanks alle interne verschillen in het vroege Jodendom er wel een kern aan gezaghebbende heilige geschriften was. De geschriften van het Nieuwe Testament zijn daar later bij gekomen. Het is historisch aannemelijk dat de zogenaamde apocriefe boeken pas later in de kerk werden aanvaard. Wij belijden dat we deze geschriften uiteindelijk als Woord van God ontvangen, maar de totstandkoming van de canon is een bewogen geschiedenis geweest.

Ontvangen
Apocriefe geschriften worden in de populaire beeldvorming soms gretig ontvangen. Ze zouden licht werpen op het ‘ware’ christendom of mysterieuze geheimen onthullen, zoals een huwelijk van Jezus. De kerk zou zulke boeken dan bewust buiten de canon hebben gehouden of ze hebben weggewerkt. Een kleine twintig jaar geleden was dat de plot van de bestseller van Dan Brown, De Da Vinci Code.
Historisch is zo’n scenario echter volstrekt ongeloofwaardig. Er is nooit een synode geweest waar over geschriften gestemd is of ze wel of niet zouden worden opgenomen in de canon. Over enkele Bijbelboeken is inderdaad discussie geweest, maar dan worden er vragen gesteld bij de praktijk dat ze al als canoniek werden aanvaard. De oudste canonlijsten beschrijven welke boeken algemeen als goddelijk en gezaghebbend worden erkend. Er wordt geen nieuw besluit genomen, maar een bestaande overtuiging beschreven. De kerk stelt niet een canon vast, maar “wij ontvangen al deze boeken alleen als heilig en canoniek om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en daarmee te bevestigen”(Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 5).
Wat zouden we doen als er nieuwe brieven van Paulus gevonden worden? Nieuwe geschriften uit de tijd van het Oude of Nieuwe Testament hebben ons veel geleerd. De brief aan Laodicea of een derde brief aan Korinthe zouden we dus met grote interesse onderzoeken en het zou ongetwijfeld nieuwe inzichten opleveren. Tegelijk is de canon als geheel afgesloten; een aangevulde herdruk van de Bijbel zal niet nodig zijn. Deze Schriften zijn genoeg om God te kennen en zalig te worden.
Over een aantal apocriefe boeken is verschil van inzicht tussen gereformeerde en andere tradities, maar veel belangrijker is dat de 66 boeken die wij als canoniek ontvangen door alle christelijke kerken wereldwijd worden aanvaard. De reden voor de aanvaarding van de Schriften is niet een historisch argument, maar het gezag dat de Schrift van zichzelf heeft en waarvan de Heilige Geest getuigt. De Schrift is gezaghebbend omdat God daarin aan het woord is. De Schrift is het levende Woord. Dat wordt in de Schrift zelf en door de kerk erkend, en wie met de Schriften omgaat, zal het merken. We lezen geen oud boek, maar horen in de Schriften de stem van de Levende.[1]

[1] Voor een toegankelijk overzicht over het ontstaan van de canon, zie Eric Peels, ‘Vragen rondom de canon van het Oude Testament’, in: Koert van Bekkum, Rob van Houwelingen en Eric Peels (redactie), Nieuwe en oude dingen. Schatgraven in de Schrift (Apeldoornse Studies 62 / TU-Bezinningsreeks 13) (Barneveld: De Vuurbaak 2013), 37-58.