jaargang 131, nr.18, 2 september 2022

In de afgelopen vakantie was ik een kleine week in Engeland. Daar bezocht ik elke dag de evensong. Een evensong bestaat uit een vaste liturgie van gesproken en gezongen bijbelgedeeltes en gebeden en duurt drie kwartier. De lofzangen van Maria en Simeon hebben daarin een vaste plek, net als de belijdenis van schuld en de belijdenis van het geloof met de Twaalf Artikelen en een aantal gebeden. Stel dat je elke dag afsluit met zo’n dienst in een ruimte die daarvoor is ingericht en in een gemeenschap die zich aan dit gebeuren overgeeft. Elke dag hoor je dezelfde woorden en spreek je ze uit, steeds in een vaste, herkenbare volgorde. Al is het in een taal die niet je moedertaal is, toch ga je na een week al frasen uit het hoofd kennen. Stel dat je hier al vanaf jonge leeftijd door je ouders of door je school in wordt meegenomen: welke invloed zal dat op je hebben?

Opvoeden
De ervaring van mij en mijn vrouw als ouders is, dat de vorming van onze kinderen al vroeg begint. Tot een jaar of twaalf kun je er bij wijze van spreken instoppen wat je wilt. Je kind registreert, neemt op, stribbelt best wel eens tegen en vraagt naar het ‘waarom’, maar er is iets van een natuurlijke acceptatie van wat vader en moeder hem of haar voorhouden. Als het ouder geworden is, gebruikt het kind zijn opvoeding als basis om erop voort te bouwen of er juist tegenin te gaan.
Je vormt je kind door het te vertellen wat wijs is, om het oudtestamentisch te zeggen. En niet alleen door het te vertellen, maar ook door het voor te leven. Deze vorming vindt plaats door het stellen van regels. De regels die je als ouder stelt, zijn de markeringslijnen van de juiste weg waarop jij je kind moet plaatsen. Het mooie van vroeg beginnen met het stellen van regels is, dat het dan gewoontevormend werkt. Je kind weet niet beter dan dat het zo hoort. Op zondag de beide erediensten bezoeken, aan tafel bijbellezen en bidden, een boek lezen: allemaal goede gewoontes waarachter regels schuilgaan die als vanzelfsprekend worden aangeleerd.

Twaalf plus
Grofweg rond de leeftijd van twaalf jaar, als het kind naar het middelbaar onderwijs gaat, lijkt de vorming door jou als ouder te eindigen. Leeftijdsgenoten en idolen op internet en in films lijken jouw rol als opvoeder over te nemen. De wereld blijkt groter en veelzijdiger. Niet alle mensen blijken twee keer naar de kerk te gaan. En het lezen van een boek is geen populair tijdverdrijf meer. Is wat als ‘gewoon’ werd aangeleerd wel gewoon? De vorming van thuis eindigt niet, maar ze vraagt wel andere vaardigheden van ouders. Je hebt je kind verteld en voorgeleefd hoe het moet, nu kan het aan de slag, met jouw ondersteuning op de achtergrond. Je manier van regels opleggen verandert. Je gaat steeds meer in gesprek met je kind. Je geeft je kind steeds meer verantwoordelijkheid.

Eigen vorming
Om je kind te vormen en om het vanaf zijn tienerleeftijd steeds meer los te laten zodat het zelfstandig zijn weg leert gaan, moet je zelf een gevormd mens zijn. Je houdt jezelf aan regels en gewoonten die verraden dat je wijs bent. Je zorgt ervoor dat je zelf blijvend gevormd wordt. Je leeft deugden als matigheid, betrouwbaarheid en medemenselijkheid voor en toont je Godvrezendheid door trouw te zijn in bijbelonderzoek en kerkgang.

De kerk
Hoe helpt de kerk jou bij de vorming van de jongere? Wij kennen niet een dagelijkse evensong waar we onze kinderen en jongeren mee naartoe kunnen nemen. Naast de wekelijkse eredienst biedt de kerk een uur catechese en de jeugdvereniging. Maar, heel belangrijk, de kerk heeft ook rituelen. Een daarvan is de doop. Dat we het sacrament van de doop aan onze kleine kinderen laten bedienen heeft een geweldige vormende betekenis. Niet voor niets laten wij onze ouders het bij de bediening van de doop beloven dat ze hun kinderen hun doop zullen leren verstaan.

De doop
Door de onderdompeling in of de besprenkeling met water laten we onze jongeren meemaken dat ze aan het eeuwige oordeel zijn onderworpen. Er zijn zonden die afgewassen moeten worden. Ze zijn van nature geen pareltjes. Hun wil en denken kunnen niet zonder meer richtinggevend zijn voor wat goed is en waar het (gezins)leven om draait. Hun wil en denken moeten juist hervormd worden ten goede.
De doop vertelt onze kinderen bovendien dat niet alleen zij, maar het hele leven bedorven is. Ook hun medemensen, onder wie hun eigen ouders, zijn feilbaar. Ze hoeven zich er niet over te verbazen als er dorens en distels opgroeien, ondanks hun goede inzet en bedoelingen. Juist in het doopformulier wordt het leven gekarakteriseerd als ‘een gestadige dood’. Daarom: ‘Memento mori’. Dat is een boodschap die haaks staat op wat we vandaag te horen krijgen, en die daarom juist voor onze jongeren relevant is. Wij proberen alle narigheid en moeite weg te houden, en dat lukt ons tot op zekere hoogte ook. Maar vroeg of laat loop je ertegen aan: er zijn tegenkrachten, anderen doen jou pijn en jij maakt zelf fouten.
Toch ga je niet in het doopwater ten onder. Je komt door het doopwater heen. Hoe kan dat? Omdat je in Christus’ dood gedoopt wordt (Romeinen 6). Christus’ dood is het biezen mandje waarin Mozes lag, waarin hij het prijsgegeven zijn aan de Nijl heeft overleefd. Als onze jongeren dit leren verstaan, vormt het hen tot dankbare en hoopvolle mensen.
Ten slotte is de doop ook een voorbeeld van zelfopoffering van de ouders. Zoals Abraham zijn zoon, zijn toekomst, uit handen geeft in gehoorzaamheid aan God, wijden we bij de doop onze kinderen toe aan Christus. We belijden dat ze Hem toebehoren. Ouders zijn dé voorbeeldfiguren voor kinderen. Bij de doop laten ze zien: zo’n mens willen wij dat je ook zult zijn, iemand die alles uit handen weet te geven, die zichzelf kan verloochenen. Want zulke mensen zijn onderdanen van Gods Koninkrijk.
De vorming van onze jongeren begint bij hun vroegste begin. Gewoontevorming is daarin belangrijk. Wij kennen het fenomeen van de evensong in onze kerkelijke traditie niet, maar onderschat de vormende kracht van de kerkelijke gebruiken die wij wel hebben niet!