129e jaargang, 28 februari nr.5

Met het oog op het admissie-examen (in 1987 was dat) nam ik op advies van prof.dr. W. van ’t Spijker kennis van het ‘Lesboek over de Gereformeerde Geloofsleer’ van de hand van de bekende dominee J. Jongeleen. Dat boekje waar op de voorkant naast de genoemde titel ook nog stond: ‘ten dienste van huis-, catechisatie- en jongelings-verenigings-gebruik’(!)

Uit dat boekje leerde ik ook de definities van de onderdelen van de heilsorde uit het hoofd, waaronder die van de bekering. ‘Hoe omschrijven wij de waarachtige bekering? Het is die daad des harten, waardoor de door Gods Geest levend gemaakte zondaar, inkeert tot zichzelf, afkeert van de zonde en heenkeert tot God in Christus.’ Ik weet nog heel goed hoe het bezigzijn met deze dingen, het onderwijs dat daarvan uitging, mij verder hielp. Zeker ook het onderwijs dat verder in het hoofdstukje over bekering gegeven werd. ‘Hoe kunnen we de bekering nog verder onderscheiden? 1. Als eerste principiële bekering. 2. Als een tweede bekering. 3. Als een vernieuwde bekering. 4. Als een dagelijkse bekering.’ Het hielp mij destijds ook om te antwoorden op een heel rechtstreekse vraag van een curator: ‘Ben jij bekeerd?’

Hoe zul je op zo’n wezenlijke vraag ooit antwoord kunnen geven als je over wat bekering is geen onderwijs ontvangt en er ook zelf niet over nadenkt? We doen er – denk ik – toch wel goed aan om ons af te vragen of het nog wel voldoende en op de goede manier ter sprake komt, thuis, op catechisatie, op de JV en ook in de zondagse preken. Als dat mogelijk niet het geval is, dan is er bekering nodig.