jaargang 129, 17 juli 2020, nr. 15

In de meditatie slaakt ds. Albert Wagenaar de verzuchting: ‘Ik hoop dat dit niet ouderwets klinkt.’ En ‘dit’ slaat dan op de zin: ‘Gezegend de predikantsvrouw die het ambt meedraagt.’ Wel, collega Wagenaar, grote kans dat nogal wat lezers het tamelijk ouderwets vinden klinken. In een tijd waarin velen waarschijnlijk ook graag zouden spreken over ‘de predikantsman’, past een themanummer over ‘de predikantsvrouw’ in ieder geval misschien niet zo goed meer. Maar kop op, waarde collega, wij (mijn vrouw en ik) vinden het beslist niet ouderwets.

Eerlijkheidshalve vraag ik mij af of ik het alleen zou redden in de pastorie. Mijn vrouw zet zich, op de achtergrond, echt in binnen de gemeente. Zo heeft ze oog voor juist die mensen die buiten de boot dreigen te vallen. Ze spreekt menigeen op het kerkplein aan, houdt zo feeling met de dingen en tipt mij. Ze is ook vaak mijn geheugen: ‘Vergeet je niet om …’ Ook gaat ze mee op kraambezoek en voert voor een deel het gesprek over typische vrouwendingen. En laat ik vooral ook niet vergeten dat ze in ons gezin heel veel heeft opgevangen toen de kinderen klein waren. In de tijd dat ik opgeslokt werd door kerkenwerk, stond zij haar mannetje. En ja hoor, ze heeft daarnaast zelf ook echt een heel leuke baan en doet vrijwilligerswerk in een ziekenhuis.

En nu, nu gaan we naar Urk. Ik heb de overtuiging gekregen dat onze weg daar naartoe leidt. En toen ik haar steeds deelgenoot maakte van hoe de Heere mij dat duidelijk maakte, toen zei ze ten slotte: ‘Dan moeten we gaan.’ Nogmaals, wat zou ik zijn zonder haar? Iemand zei gekscherend (althans daar ben ik van uitgegaan): ‘Dat u weggaat, dat is tot daaraan toe, maar dat uw vrouw ook weggaat …’