jaargang 130, nr. 13, 25 juni 2021

De gedachte van een eeuwig oordeel ligt onder vuur. Kun je het geloof in een God van liefde wel rijmen met een eeuwig oordeel over allen die Hem niet liefhebben? Mensen hopen of verkondigen dat het uiteindelijk met iedereen goed zal komen. Die hoop is wel te begrijpen; je zult een kind of een goede vriend hebben die niets van God wil weten. En Gods genade is toch overstelpend rijk? 

Toch lijkt de gedachte dat uiteindelijk iedereen zal delen in Gods heerlijkheid me zo moeilijk te rijmen met de prediking van Christus en de apostelen. ‘Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op Hem.’ De Schrift is terughoudend in een precieze beschrijving van het oordeel, en laten wij dat dan ook maar zijn. Maar als er iets is om voor te huiveren en te ontvluchten, dan wel de toorn van God en het Lam.  

Als het eeuwige oordeel bij de boodschap van het Evangelie hoort, dan hoort dit ook bij de prediking. Dat vraagt veel. Je kunt op zo’n manier over het oordeel preken dat het geijkte woorden worden, maar het niemand wat doet. Je kunt het ook verzwijgen of zo terloops of verhullend noemen dat niemand in de kerk serieus denkt dat het hem of haar ook zou kunnen overkomen.  

Als iemand wist hoe diep Gods oordeel was, dan Jezus Christus Die het gedragen heeft. Als iemand voor dat oordeel waarschuwde, dan Hij. Dan mogen wij niet zwijgen over dat oordeel; maar je kunt er alleen over spreken vanuit Zijn liefde. Ieder die in Hem gelooft, gaat níet verloren; die boodschap moet voorop staan.