jaargang 131, nr. 07,1 april 2022

In kerkelijk Nederland zal volgend jaar de vereniging van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt en de Nederlands Gereformeerde Kerken tot de Nederlandse Gereformeerde Kerken een feit zijn. Omdat de geschiedenis laat zien dat kerken gemakkelijker scheuren dan verenigen, is dit een bijzondere gebeurtenis. Deze vereniging is een hereniging, omdat beide kerkverbanden ooit één waren, maar in de jaren zestig van de vorige eeuw van elkaar gescheiden raakten. In de afgelopen halve eeuw werden contacten aangeknoopt met onze kerken, die in verschillende plaatsen resulteerden in samenwerking tussen CGK en GKv en/of NGK, of in een samenwerkingsgemeente. Dat maakt dat de fusie ook onze kerken raakt. Als twee zusterkerken elkaar hervinden, kun je daar toch alleen maar heel blij mee zijn? Je mag hier toch iets zien van wat Christus bidt in het hogepriesterlijk gebed, dat de Zijnen één zullen zijn? Prof. Hans Maris schrijft n.a.v. dit Bijbelgedeelte dat het in Jezus’ gebed niet alleen maar om een geestelijke eenheid gaat die niet zichtbaar hoeft te worden. Toch leven er ook vragen omtrent het fusieproces. Welke theologische ontwikkeling in de beide kerken ligt er onder het fusieproces? Kon iedereen wel meegaan? We vragen het aan de synodevoorzitter van de GKv, ds. Melle Oosterhuis, die nauw betrokken was. Ondertussen is de hervonden eenheid van GKv en NGK ook een vraag aan ons als kerken, waar de onderlinge eenheid op spanning staat. Prof. Selderhuis schrijft daar enkele behartenswaardige woorden over.