127e jaargang, 7 december, nr.25

Noodgedwongen moest ik me onder behandeling van een fysiotherapeut stellen. Een beklemde zenuw is daar debet aan. En zo stond, zat en lag ik daar voor hem met ontbloot bovenlijf. Ik realiseerde me dat zo’n therapeut best bijzonder werk heeft. Ongetwijfeld maakt hij het mee dat hij naast mannen en jongens, ook vrouwen en meisjes behandelen moet. Ik bevroeg hem erop hoe hij dat ervaart en of hij dat niet risicovol vindt. Al pratend ontdekten we bepaalde overeenkomsten in ons werk. Ook een predikant krijgt een enkele keer immers wel te maken met situaties die een bepaald risico in zich bergen. En denk het je eens in wat er gebeuren kan als iemand je beschuldigt van kwaadwillendheid …

Het gesprek kwam op Jozef. Ik vroeg hem of hij – rooms-katholiek van huis uit, maar niet meer praktiserend – die geschiedenis kende. Dat bleek niet het geval. Niet zo vreemd, veel rooms-katholieken kennen de inhoud van de Bijbel immers niet. En zo, liggend op mijn buik, terwijl hij mij masseerde, nam ik mijn kans waar en vertelde hem de geschiedenis van Jozef en de vrouw van Potifar. Hoe zij de werkelijkheid omdraaide in haar voordeel en in het nadeel van Jozef en hoe Jozef daar in het geloof mee omging. Hij luisterde zo geboeid, dat het masseren soms stopte. “Staat dat echt in de Bijbel”, vroeg hij verbaasd. Ik: “Jazeker, de Bijbel is een eerlijk, boeiend en leerzaam boek. Het wordt hoog tijd dat je er eens in gaat lezen man.” Waar een nekhernia al niet goed voor kan zijn.