jaargang 130, nr. 4, 19 februari 2021

Wij Nederlanders hebben een haat-liefdeverhouding met het water. We leven ervan als visser of schipper. We genieten ervan als zwemmer of schaatser. Maar daarnaast hebben we een groot deel van ons land op het water veroverd en moeten we het er voortdurend tegen beschermen. Iedere eerste zondag van februari houden we de jaarlijkse hulpverleningszondag. Als kerken worden we dan herinnerd aan de watersnoodramp van 1953 die delen van Zeeland en Zuid-Holland trof. Die zondag is niet willekeurig gekozen, want toen kwam in 1953 vanuit de hele wereld een hulpactie voor ons land op gang. 

Het Israël van de Bijbel heeft een angst-liefdeverhouding met het water. In den beginne scheidde de HERE wateren boven en wateren beneden door een uitspansel en de wateren beneden scheidde Hij vervolgens van het droge. Zo kwam er leefbaar land voor dier en mens. Maar voortdurend is het water een bedreiging gebleven. De HERE gebruikt het als een oordeel bij de zondvloed en in het evangelie dreigt het scheepje met de Zoon aan boord door de golven ten onder te gaan. Dat op de nieuwe aarde de zee er niet meer is, is een grote opluchting. Tegelijk is water levensnoodzakelijk. Als regen biedt het vruchtbaarheid op het land, de herder voert zijn kudde aan rustige wateren en in het toekomstvisioen van Ezechiël en Johannes stroomt een beek die het land tot een lusthof maakt.

In deze Wekker komen mensen aan het woord die van het water leven. Als 
schipper of als predikant voor schippers, die namens zijn Zender spreekt over het water dat Leven geeft.