127e jaargang, 28 september, nr.20

Hoe spreek je op een goede manier over Gods verkiezing? Dat was een van de vragen waar het over ging op de Synode van Dordrecht, dit jaar precies 400 jaar geleden. Die vraag is nog steeds van belang en daarom besteedt dit nummer van De Wekker aandacht aan de Dordtse Leerregels, het belijdenisgeschrift dat we aan deze synode te danken hebben.

Wie de Bijbel leest, kan niet om de uitverkiezing heen. De HEERE kiest uit alle volken van de aarde Israël uit als Zijn volk. De Heere Jezus zegt tegen Zijn discipelen: U hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren. Dat je daar ook op een verkeerde manier over kunt spreken, is geen reden om erover te zwijgen, integendeel. Bovendien zijn de vragen rondom Gods verkiezing heel actueel. Hebben mensen wel een vrije wil bijvoorbeeld? Sommige moderne wetenschappers zijn daar niet meer zo zeker van.

Natuurlijk is het bijzonder belangrijk hoe je over verkiezing spreekt, ook vanwege de persoonlijke en pastorale vragen die het oproept. Het is opvallend hoe Paulus erover spreekt in Efeze 1. Hij begint niet voorzichtig aan een moeilijk thema, maar hij zingt een loflied op de verkiezende God. ‘Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus … omdat Hij ons vóór de grondlegging der wereld in Hem uitverkoren heeft …’ Die lofzang is vol van de Heere Jezus Christus, van verlangen naar een heilig leven en van de eer van de drie-enige God. De broeders in Dordrecht hadden het niet van een vreemde dat ze elk hoofdstuk van de Dordtse Leerregels lieten eindigen met een lofzang. Alleen op die toonhoogte kun je meezingen.