jaargang 130, nr. 2, 22 januari 2021

Elke keer als ik de uitleg van de Heidelbergse Catechismus lees, over wat een echt geloof is, valt me op hoeveel nadruk gelegd wordt op de zekerheid: Een echt geloof is een stellig weten en een vast vertrouwen. Van twijfel is geen sprake, integendeel, wat je moet geloven is het ‘algemeen en ontwijfelbaar christelijk geloof’ (zondag 7). Is dat niet een te mooie voorstelling van zaken?
Bedenk echter dat belijdenisgeschriften meestal ontstaan in tijden van onzekerheid en crisis. Israëls belijdenis: ‘De HERE, onze God, is de Enige’ ontstaat in de woestijn na de periode van onderdrukking in Egypte, en later, in de ballingschap in Babel, moet het volk opnieuw op zoek naar zekerheid. De Heidelbergse Catechismus ontstaat in de periode van de Reformatie, een periode van grote maatschappelijke en kerkelijke onrust. Juist dan ontstaat de noodzaak dat opnieuw geformuleerd wordt waarop of op wie je kunt vertrouwen.
Wij beleven een tijd van crisis door de coronapandemie. Onze zo solide regering die veler vertrouwen had, is teruggetreden omdat ze een monster blijkt te zijn geweest voor duizenden burgers. Van welke informatiemiddelen kun je op aan, als er kwistig wordt rondgestrooid met het etiket ‘fake’?
Het oudtestamentische woord voor zekerheid kennen we allemaal, we besluiten onze gebeden ermee: aman. In een crisisjaar tijdens de regering van koning Achaz roept de profeet Jesaja (7: 9) de koning op om God te vertrouwen: ‘Indien u niet gelooft (aman), voorwaar, u zult geen stand houden’ (aman). Een betrouwbaar woord, ook in de crisis van onze dagen!