128e jaargang, 10 mei nr.10

Problemen rond integriteit zijn bijna wekelijks in het nieuws. Het is aan de orde op scholen, in bedrijven, in de politiek en de kerk. Soms wordt evident wangedrag met droge ogen verdedigd als gewoon passend binnen de regels. In de samenleving neemt agressie tegen politie en hulpverleners toe. Waar is het respect en een basaal besef van fatsoen?

Integriteit is een kostbaar en kwetsbaar iets. Het wil zeggen dat je op iemand aan kunt, dat iemand volstrekt te vertrouwen is. In de Schrift is oprechtheid een kenmerk van de rechtvaardige. Al heeft hij gezworen tot zijn schade, zijn beloften komt hij na (Psalm 15). Paulus neemt het hoog op als hem vanuit Korinthe onbetrouwbaarheid verweten wordt. Daarbij is niet alleen zijn goede naam, maar ook Gods trouw en de betrouwbaarheid van het evangelie in het geding (2 Kor. 1: 15-20). Juist daarom zouden de kerk en christenen bekend moeten staan als volstrekt integer. Dat is een hoge norm; het gaat veel verder dan de vraag of het binnen de regels past. Het is een grondhouding, oprechtheid voor God en de mensen; niet verheven boven anderen, maar levend uit het ootmoedige besef hoezeer je het zelf moet hebben van Gods trouw. Dat kan niet zonder zegen zijn.