jaargang 129, 3 juli 2020, nr. 14

Een christen leeft voor Gods aangezicht. Het is een goede gewoonte om dagelijks tijd te nemen om de Heere te zoeken, in Zijn Woord, in het gebed.

Maar die momenten van directe omgang met God kunnen niet op zichzelf staan. De Heere dienen is niet iets van bijzondere momenten, maar moet heel ons leven doortrekken. Anders komt het geestelijke leven los te staan van ons ‘gewone’ leven. De Heere vraagt niet dagelijks een stukje van ons leven, maar Hij wil dat we Hem liefhebben met heel ons hart, heel ons verstand, al onze krachten.

Leven met de Heere gaat niet alleen over de zondag of ons dagelijks Bijbellezen, maar net zo goed over onze vrije tijd, ons werk, onze levensstijl, onze relaties, de omgang met conflicten. De persoonlijke omgang met God voedt als het goed is heel ons leven. Dat is een leven coram Deo, voor Gods aangezicht.

In deze tijd vallen veel vaste patronen weg. Daardoor mis je een ritme, vaste gewoonten, de ontmoeting met anderen. Juist dan komt het des te meer aan op de kern: doen we dingen voor de mensen of voor de levende God? ‘Wie mij beoordeelt, is de Heere,’ schrijft Paulus. Dat geeft richting aan het leven, en het geeft rust.