jaargang 129, 19 juni 2020, nr. 13

Dienen we te ont-moeten? Ont-moeten, omdat we de vitaliteit van de kerk vandaag mogelijk te veel aflezen uit de activiteiten in de kerk?

Een mooi onderwerp om licht over te laten schijnen. Toch hoop ik dat de mogelijk nodige ont-moeting niet toegepast wordt op de onderlinge ontmoeting. Het is te wensen dat we binnen afzienbare tijd toch weer redelijk normaal gemeente kunnen zijn. Bij al het goede dat er naar voren komt aan ideeën in deze coronatijd, is er toch ook wel reden tot zorg. Wat brengt het lange tijd niet lijfelijk kunnen samenkomen als gemeente uiteindelijk teweeg? Eerlijk gezegd ben ik er niet altijd helemaal gerust op dat alles goed gaat. De moderne media bieden zoveel kansen op shopgedrag. Als dat daadwerkelijk plaatsvindt, vind ik dat ronduit een zorgelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling die zomaar voorbijgaat aan het heilzame van het actief lid zijn van een gemeente ter plaatse. Die gemeente die in de plaats waar je woont een openbaring is van het lichaam van Christus, waardoor de Heere ook op een bijzondere manier werkt. En om die reden ook tot bijzondere zegen is en kan zijn. In Hebreeën 10: 24 en 25 lezen we: ‘En laten wij op elkaar letten door elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar elkaar aansporen, en dat zoveel te meer als u de grote dag ziet naderen.’
Met de ‘onderlinge bijeenkomst’ wordt mijns inziens toch echt de bijeenkomst bedoeld van de gemeente (het lichaam) waar je lid (een lichaamsdeel) van bent. Je trekt een menselijk lichaam toch ook niet uit elkaar in allemaal afzonderlijke lichaamsdelen? Nee, want dat doet echt heel veel pijn en het zorgt ervoor dat wat van het oorspronkelijke lichaam nog overblijft niet goed meer functioneert. En ook: afzonderlijke lichaamsdelen is geen lang leven beschoren.