jaargang 130, nr. 19, 17 september 2021

Dit nummer van De Wekker gaat over psalmen zingen. Het gaat daarbij niet om de vraag welke ruimte er in de eredienst is voor andere liederen, maar om de waarde van de psalmen.
Wij zingen de psalmen samen met Israël. Veel van deze liederen zijn ontstaan of later gebruikt in de tempeldienst. Ze herinneren ons er elke keer weer aan dat de kerk onlosmakelijk verbonden is met Israël.
De kerk zingt de psalmen alle eeuwen door. Geen wonder, want de psalmen hebben al in het Nieuwe Testament een grote plaats. Ongeveer een op de drie van alle nieuwtestamentische citaten uit het Oude Testament komt uit het boek Psalmen. Christus heeft zelf de psalmen gezongen, bijvoorbeeld aan de paasmaaltijd. Het Nieuwe Testament ziet veel psalmen vervuld worden in het lijden en de opstanding van Jezus Christus. De kerkvader Tertullianus heeft daarom gezegd: ‘David zingt van Christus en door hem zingt Christus van Zichzelf.’
De psalmen gaan ons erin voor om ons hart voor God uit te storten, met alle vreugde, vragen en vertwijfeling. Ze zijn een voorbeeld voor ons gebed en onze lofzang. Niet alleen om uit te drukken wat er leeft in ons hart, maar ook om meegenomen te worden in een gebed waarvoor je zelf de woorden niet kunt vinden, of in een lofzang waar je op dat moment niet bij kunt. Je zingt niet alleen naar buiten, maar ook naar binnen. Wat we zingen, vormt ons. Juist daarom is het belangrijk om de psalmen te zingen en ze door te geven aan nieuwe generaties. Het zou goed zijn om elke dag minstens één psalm te lezen en te bidden.