128e jaargang, 18 januari, nr.2

Sommige dingen moet je meemaken om ze echt te begrijpen. Wie niet zelf of van heel dichtbij een depressie heeft meegemaakt, kan zich waarschijnlijk moeilijk voorstellen wat dat betekent. Hoe kun je alle hoop en verlangen om te leven kwijt zijn? En welke invloed heeft dat op je geestelijk leven?

Wat is het een zegen dat de Schrift ook die gevoelens van diepe moedeloosheid en wanhoop benoemt. Een voorbeeld is Psalm 13. Die psalm gaat niet over ‘vast vertrouwen op God’, zoals het opschrift soms luidt, maar is juist een roep uit de diepte. ‘Hoelang nog, HEERE?’ De dichter vraagt of God hem voor altijd vergeet, hoelang Hij zich nog verbergt. Hij roept om verhoring, omdat anders de dood hem wacht. De Heere heeft al die woorden laten opschrijven als een voorbeeld voor ons. Dat wijst ons ook de weg: de dichter spreekt zijn moeite uit voor Gods aangezicht.

Pas aan het einde van de psalm komt er uitzicht. ‘Ik echter vertrouw op Uw goedertierenheid.’ De HEERE is goed voor mij geweest. De omstandigheden lijken niet veranderd te zijn, maar de dichter kan wel verder.

De Heere Jezus Christus in alles op dezelfde wijze verzocht als wij, zegt de brief aan de Hebreeën. Daar hoorden ook angst en tranen bij (Hebr. 5: 7). Mensen hebben makkelijk praten als ze zelf niet weten wat jij doormaakt, maar Hij weet wat het is. Daarom is er bij Hem barmhartigheid en genade te vinden op het juiste tijdstip.