jaargang 130, nr. 19, 17 september 2021

Wie anno 2021 de psalmen wil blijven zingen, moet kiezen voor een geschikte vorm. Over het algemeen zal dat een berijming zijn. Maar welke? Het aanbod is inmiddels groot en divers. Een verkenning van het landschap.
Je bent gereformeerd en je wilt de psalmen graag een ereplaats blijven geven: thuis, op school en in de kerk. Mogelijkheden genoeg: van de reciterende gregoriaanse kloosterstijl tot de Psalmen voor Nu op popmelodieën. 
In veel gevallen zul je kiezen voor de berijmde vorm, op de eeuwenoude melodieën van Genève. Maar ook dan is het aanbod inmiddels groot. Had je honderd jaar geleden officieel maar twee smaken – de zestiende-eeuwse variant van Datheen en de Staatsberijming van 1773 – inmiddels is het menu een stuk gevarieerder. Om de bekendste te noemen: de berijming van 1967 (te vinden in oude en nieuwe Liedboek), de berijming van het Gereformeerd Kerkboek (1986), de berijming van ds. C.J. Meeuse (2011), de selectieberijming in de bundel Weerklank (2016) en recent De Nieuwe Psalmberijming (2021).
In al die varianten is een poging gedaan om de onberijmde tekst van de psalmen te ‘vangen’ in strofen die te zingen zijn op de zestiende-eeuwse Geneefse melodieën. Daarbij zijn keuzes gemaakt: was een Bijbelvertaling uitgangspunt, of was het Hebreeuws leidend? Moest het aantal strofen bij elke psalm overeenkomen met het aantal verzen in de oudere berijmingen (Psalm 1 krijgt 4 coupletten en Psalm 119 krijgt 88 verzen), of kon die strofenindeling losgelaten worden? Welk taalregister werd gehanteerd: plechtig of juist populair? Moest de berijming vooral de Bijbeltekst zo getrouw mogelijk weergeven; of mocht het wat vrijer, om compacte psalmen of mooie poëzie te krijgen? Kortom, iedere berijming kreeg haar eigen ‘kleur’. 
Helder is natuurlijk dat geen enkele variant canoniek of heilig kan heten. Want net zoals vertalen wel als verraden wordt gezien, zo is geen enkele berijming de Bijbeltekst zelf. Dat kan ontspanning geven in allerlei discussies: hoe dierbaar een berijming je ook is, het blijft mensenwerk. En dat is altijd voor verbetering vatbaar.
Gemeenteleden en kerkenraden stellen die vraag ook: Voldoet de berijming die nu in gebruik is – vaak die van 1773 of die van 1967 – nog wel? Of moet er omgezien worden naar een andere variant? Maar welke dan? En welke impact heeft zo’n wijziging? Hieronder een aantal aspecten die een rol spelen bij de afwegingen die in zo’n geval gemaakt moeten worden. 

Taalkleed
De psalmberijming die je kiest, heeft alles te maken met het taalkleed dat in het geheel van de eredienst wordt gehanteerd. Is de liturgische taal in gebeden en preek eigentijds of zelfs populair, dan ontstaat er kortsluiting op het niveau van de taal als er vervolgens een psalm uit de berijming van 1773 wordt opgegeven. Omgekeerd: in een gemeente waar de taal van de liturgie plechtig of zelfs licht-archaïsch is, zal een eigentijdse psalm uit DNP niet tot zijn recht komen. 
Uiteraard speelt hier ook de gebruikte Bijbelvertaling een grote rol. In een liturgie waar de Statenvertaling of Herziene Statenvertaling klinkt, zal in de meeste gevallen de berijming van 1773 het beste passen. DNP-psalmen verwacht je daarentegen eerder in een dienst waar uit de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) wordt gelezen. De berijming van 1967 past misschien weer beter bij de NBG-vertaling van 1951. Het lijken misschien ongewenste classificaties, maar in de praktijk spelen ze een grote rol. Mensen die met de Statenvertaling vertrouwd zijn, wíllen soms niet eens uit de berijming van 1967 zingen. En omgekeerd hebben kerkgangers die leven met de NBV soms grote moeite met de oude woorden van 1773. 

Theologie
Voorkeur voor een specifieke berijming heeft echter vaak met meer dan taal te maken. Het gaat wel degelijk ook om theologie. Want welk Godsbeeld spreekt er uit een berijming? En welke exegese ligt er aan het dichtwerk ten grondslag? Komen die overeen met het Godsbeeld en de uitleg die in prediking en gebeden naar voren komen?
Neem de messiaanse duiding van sommige psalmen. In Psalm 2 is het in ‘1773’ direct duidelijk hoe de Gezalfde en de Zoon geïnterpreteerd zijn: daar gaat het over Christus, zo blijkt uit de hoofdletters. In de berijming van 1967 ligt dat anders: ‘gezalfde’ en ‘zoon’ worden klein geschreven. De dichters wilden destijds de messiaanse interpretatie niet direct in de berijming vastleggen. 
Berijmen is dus interpreteren, en daar gaat een theologie achter schuil. Wie het met de theologie van een psalmdichter niet eens is, heeft waarschijnlijk ook moeite met zijn product. Rond de berijming van 1967 speelde dat destijds: de dichters van de Pietersberg waren niet gereformeerd genoeg, klonk het van de kant van bevindelijk gereformeerden. Dat in hun eigen kerkboek uit 1773 psalmen staan van een remonstrantse dichteres als Lucretia van Merken, vergaten ze voor het gemak maar even … De gevoeligheid rond 1967 lijkt inmiddels overigens wat weggeëbd – via Weerklank zingen velen nu de psalmen die destijds gewraakt werden … 
Maar het blijft een belangrijk punt in de overwegingen: voel je je thuis bij de theologische kleur van een berijming? 

Poëtisch gehalte
Er speelt nog meer. Want een berijming kan nog zo Bijbelgetrouw zijn, het gaat wel om poëzie die je op de lippen neemt. En dichten is een kunst die niet iedereen machtig is. Regels laten rijmen kan iedereen. Maar poëzie maken die zeggingskracht en schoonheid heeft, en ook nog binnen het bestaande schema van rijm en melodie, dat is lastig. De diverse berijmingen verschillen dan ook nogal qua poëtisch gehalte. 
Over het algemeen wordt door kenners de berijming van 1967 als de meest poëtische beschouwd. Van DNP werd onlangs door meerdere recensenten juist gezegd dat het dichterlijk gehalte te wensen overlaat. In de selectieberijming van Weerklank loopt het door elkaar: de psalmen uit de dichterlijke bundel van 1967 – 57 psalmen zijn daaruit overgenomen – staan bijvoorbeeld naast berijmingen uit het Gereformeerd Kerkboek – 85 psalmen – die poëtisch soms van een minder niveau zijn. 
Wie moet kiezen, zal dus in ieder geval ook de afweging maken wat hij het zwaarst laat wegen: Moet de berijming zo dicht mogelijk bij de Bijbeltekst blijven en is het niet erg als de poëzie te wensen overlaat? Of prevaleert de schoonheid en neem je de vrijheid die de dichter zich veroorlooft voor lief?  

Praktijk
Tot slot het gebruik in de praktijk. Want ook op dat punt kunnen overwegingen meespelen. Wie bijvoorbeeld graag complete psalmen zingt – vanuit de gedachte dat een psalm een gedicht is waaruit je eigenlijk geen losse verzen moet knippen –, kan goed terecht in DNP. De dichters van deze berijming hebben bewust gekozen voor compacte teksten – ze laten liever iets weg dan dat ze iets toevoegen. Dat maakt dat bijvoorbeeld Psalm 141 maar vijf strofen heeft (in plaats van elf in ‘1773’): makkelijk in z’n geheel te zingen. Dat kan een reden zijn om voor DNP te kiezen.
Een ander praktisch punt is de eenheid van gezin, school en kerk. Een kind dat in de kerk ‘1773’ zingt, thuis met DNP vertrouwd raakt en op de vrijgemaakte school uit het Gereformeerd Kerkboek zingt, leert wellicht nooit een psalm uit het hoofd. Gaat het in Psalm 42 nu over ‘’t Hijgend hert’, de ‘uitgeputte hinde’ of ‘een hert in dorre streken’ …? Veel mooier is het als in de driehoek gezin-school-kerk eenzelfde repertoire wordt geleerd, zodat een kind een psalmrepertoire opbouwt dat z’n leven lang meegaat. Dat kán de reden zijn om in de kerk van ‘1773’ over te stappen op de psalmen van 1967, omdat de kinderen die op school leren. Het kan ook het argument zijn om in de kerk de psalmen juist niet uit allerlei verschillende berijmingen te gaan projecteren – omdat je wilt dat jong en oud één psalmboek écht leert kennen.
Een psalmberijming: het is maar mensenwerk. Maar het gaat tegelijk wel om de taal waarmee je van jongs af het geloof al zingend leert vertolken en die diep wortelt. Daarom is wisselen van berijming niet iets wat je zomaar doet en om de paar jaar kunt herhalen: zoals je een oude jas vervangt door een nieuwe. Juist vanwege de geestelijke impact die een berijming heeft, is zorgvuldigheid geboden. 
En áls je overstapt, geef mensen dan ook de tijd om de nieuwe taal zich eigen te maken. Zodat de psalmen zich vast kunnen zetten in het hoofd, en af kunnen dalen naar het hart. Dan kunnen ze later zomaar terugkomen, juist in de ouderdom of als dementie toeslaat. Zo kunnen de psalmen een schat worden die je je hele leven meedraagt.