jaargang 131, nr.10, 13 mei 2022

Belijden actueel – zo luidt de titel van deze rubriek. Een belangrijke vraag wordt daarmee gesteld: wat zegt onze belijdenis in verband met de zaken van de actualiteit? Als we zien dat aan Russische zijde de oorlogsretoriek van het Kremlin gesteund wordt door patriarch Kyrill, dan wordt daar de oorlog tot een zaak van de belijdenis gemaakt. Ophef alom. Maar hoe zien wij de dingen dan? Wie in de belijdenis zoekt naar een woord als ‘oorlog’ of ‘volk’ zal niet veel vinden – met enige creativiteit kun je denken aan de uitleg van het zesde gebod in zondag 40: God verbiedt de doodslag. Maar betekent dat dan de kerk niets te zeggen heeft over nationalisme en oorlog?

De belijdenisgeschriften – en met name de Catechismus natuurlijk – horen thuis in het midden van de gemeente. En dus: binnen de liturgie. In Psalmboekjes met de oude berijming vinden we achterin een hele reeks formulieren en gebeden. Bijvoorbeeld prachtige ochtend- en avondgebeden (wie bidt ze nog?), maar ook: ‘Een gebed voor alle nood der christenheid des zondags na de predikatie’. Voor dat gebed wil ik kort de aandacht vragen, omdat het ons leert bidden op de toonhoogte van de belijdenis.

Ik ga dan even voorbij aan het gegeven dat in dat gebed eerst gebeden wordt om dienaren in de oogst (de dienaren van de kerk dus) en pas daarna voor de overheid, hoewel die volgorde al veel te denken geeft. Maar het gaat me nu even om wat er gezegd wordt over de machthebbers. ‘Wij bidden voor de overheden, die het U beliefd heeft over ons te stellen.’ En hun taak is dan om het volk ‘dat Gij hun toevertrouwd hebt, wijs (te) regeren, kloek (te) beschermen’, de dienst aan God getrouw te handhaven en het recht te handhaven.

Overheid en volk worden zo gedwongen om gelovig naar elkaar te kijken. Het heeft God beliefd deze overheid te geven. En het volk is door Hem aan hen toevertrouwd. Beide keren staat de Here God er zelf als het ware tussen. Dat maakt een heleboel duidelijk over doel en grens van de macht. Toen de Nederlanders met het Plakaat van Verlatinghe (1581) aan koning Filips II zijn congé gaven, was dat hierom: hij was een koning geworden die vergeten had dat hij nooit meer dan onderkoning was. In zijn optreden was niet langer de herderlijke goedheid van de Here God zichtbaar, want hij hield het Woord weg van het volk, legde een zware terreur op en daarom had hij als koning zijn volk beslissend tekortgedaan.

Dat zijn dus geen nationalistische overwegingen. De kerk bidt niet voor de zaak van Nederland op zichzelf. En een aanvalsoorlog die met zoveel bruut geweld gepaard gaat, kan op geen enkele manier van een kerkelijke wijding worden voorzien. Een kerk die dat wel doet, misvormt het Evangelie en misbruikt de naam van de Here God. De kerk – als zij tenminste werkelijk kerk durft te zijn – kijkt met andere ogen en meet met andere maten. Zij vraagt naar de gang van Gods koninkrijk en of de overheid die laat geworden.