127e jaargang, 20 juli, nr.15

Lezen: 2 Koningen 19: 6-37 en Jesaja 38

Brieven voor Gods aangezicht
In deze derde en laatste studie waarin we enkele lijnen uit het leven van koning Hizkia hebben getrokken, luisteren we naar zijn gebeden.
Het gebed dat we in 1 Koningen 19 vinden, is door Hizkia uitgesproken tijdens de belegering van Jeruzalem. Koning Sanherib heeft Rabsake gestuurd om de inwoners van Jeruzalem over te halen om niet langer te luisteren naar koning Hizkia. Ook koning Hizkia wordt er op aangesproken door Rabsake om niet langer op de Heere te vertrouwen, want ze zullen het toch verliezen van de Assyriërs. Hizkia krijgt zelfs brieven waarin zwart op wit wordt gesteld hoe dwaas Hizkia is wanneer hij zich niet overgeeft aan Sanherib.
Hizkia gaat met deze brieven naar de tempel en legt ze neer voor Gods aangezicht. Hierin zien we hoe het gebed een belangrijke plaats heeft in het leven van deze koning. Het is niet de nood die hem leert bidden, maar hij wist hoe onmisbaar het is om steeds weer naar Gods huis te gaan en Zijn aangezicht te zoeken. Ook in deze nood keert hij zich tot de Heere. Nood kan ons weer uitdrijven naar de Heere, zoals het spreekwoord zegt: nood leert bidden. Maar dat is niet vanzelfsprekend het geval. De nood kan mensen ook van God afhouden omdat ze niet meer geloven in Hem wanneer ze in moeilijke omstandigheden terechtgekomen zijn.

De Heilige Geest kan en wil de nood wel gebruiken om mensen tot de troon van Gods genade te brengen. Een ernstige operatie, een ziekteperiode of een ongeluk zijn meer dan eens voor mensen ook tot zegen geworden, omdat zij in die situatie van kruis en tegenspoed op de Heere leerden vertrouwen en hopen, en in Hem de enige troost in leven en sterven vonden.

Het gebed van Hizkia begint met een heerlijke belijdenis. Hij belijdt Wie God voor hem is. God is de levende God, de Schepper van hemel en aarde. Het is belijdenis dat in scherp contrast staat met de woorden van Rabsake die God neerzet in het rijtje van de afgoden die toch niet kunnen helpen. Voor Hizkia is de HEERE de levende God. Deze God hoort naar het gebed van Zijn volk op aarde.
De nood van Hizkia is niet alleen maar de nood waarin hij samen met het volk verkeert. In deze situatie staat de eer van zijn Naam op het spel. Rabsake en de zijnen honen de levende God. Zal de levende God dan niet opkomen voor Zichzelf om te tonen dat Hij alleen God is en niemand meer?
Hizkia bidt om verlossing uit de nood, maar doet dit vooral met het oog op de eer van God: “Zo zullen alle koninkrijken der aarde weten dat Gij, HEERE, alleen God zijt.”

Er is bij Hizkia een diep verlangen dat heel deze aarde zal weten wie de HEERE is. Heeft de Heere Jezus in Zijn gebedsonderwijs de harten van Zijn discipelen ook niet gericht op de komst van het Koninkrijk van God? Wij mogen onze nood voor God neerleggen. Bidden is meer dan de nood voor God neerleggen. Bidden is ook dat de Heilige Geest je richt op de eer van God en op de uitbreiding van Zijn Koninkrijk. De Heilige Geest wil ons ook leren om via het gebed onszelf aan de Heere over te geven. Hij weet wat wij nodig hebben en het beste is, omdat Hij ons leven plaatst in het grote verband Zijn handelen met Zijn volk op deze aarde. Hij weet op welke manier Zijn Naam geheiligd wordt en Zijn Koninkrijk bevorderd wordt in mijn leven.

Gebed om een borg
Er staat nog een gebed van Hizkia in de Heilige Schrift. Het is een gebed dat hij gebeden heeft toen hij de boodschap ontving: geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven. Ook in die situatie keert hij zich tot God. Later geeft hij ook in zijn danklied weer hoe hij op zijn ziekbed gebeden heeft. Voor Hizkia betekent het einde van zijn leven dat hij de Heere niet meer zou zien in het land der levenden. Dat maakt het sterven voor Hizkia op dit moment zo moeilijk. Het gaat hem om de gunst van God, om het aangezicht van de Heere te zien en voor Hem te leven. Hizkia leeft in een periode van de Godsopenbaring waarin nog niet het volle licht over leven en sterven was opgegaan. Hij leeft nog voor de komst van de Messias, Die naar de Schriften wordt opgewekt uit de doden en de dood heeft overwonnen. Er is zeker het vertrouwen dat de Heere Zijn volk in de dood niet loslaat, maar het heil is hen nog niet geopenbaard zoals het wel aan ons is bekendgemaakt. Het leven hier op aarde betekent voor Hizkia het leven met de Heere en de dood en het graf staan voor het missen van Gods gunst en genade. We lezen dat ook in Psalm 116.

Laten we ook niet vergeten dat Hizkia dat de troonsopvolger Manasse nog niet geboren is. Hoe zal de Heere de beloften aan het huis van David vervullen. In die nood heeft Hizkia tot de Heere geroepen en heeft hij gebeden: Wees Gij mijn Borg. Een borg is iemand die het voor je opneemt en die het van je overneemt wanneer je zelf niet in staat bent om aan je verplichten te voldoen. Zo ziet Hizkia zichzelf. Hij is iemand die zelf geen mogelijkheid meer heeft om zich te redden. Hizkia wordt er bij bepaald hoe hij als mens zondig is tegenover God. Immers, de dood en het graf voeren ons terug naar het loon op de zonde en dat is de dood. Hizkia verlangt naar de vergeving van de zonden en de gemeenschap met God. Hij weet zich geen raad zonder het liefelijk en vertroostend aangezicht van de Heere.

Om het in het licht van het Nieuwe Testament te zeggen: de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus. Is het ons daar om te doen, in gezondheid en ziekte? Want het is belangrijk om de Heere te zoeken in onze gezonde dagen en wat is het een zegen als de Heere een tijd van ziekte gebruikt om je brengen tot Zijn gemeenschap en Zijn aangezicht over je gaat lichten.

Hizkia brengt onder woorden hoe de Heere Zich over hem ontfermd heeft: “Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.” De jaren van verlenging van zijn leven waren een bewijs van Gods ontfermende liefde.

Wie tot Christus komt met zijn zonden, wordt niet afgewezen, maar om Jezus wil door God omhelst. Zoals verloren zoon in de armen van zijn vader viel toen hij weer terugkwam en besefte geen aanspraak meer te kunnen maken als zoon. Het is de ervaring van Gods genade in het leven van allen die belijden de dood verdiend te hebben en het leven in de Heere Jezus te hebben ontvangen. De Heilige Geest doet je door het geloof in Christus zien op de Vader Die een zondaar omhelst.

God heeft al mijn zonden achter Zijn rug geworpen. Hij komt er nooit meer op terug. Zo radicaal is Gods genade in Christus.

Leven om te loven
De jaren die Hizkia krijgt zijn niet zomaar een toegift van vijftien jaren. Het gaat om het loven van God in dit leven. Voor Hizkia is de tegenstelling dat in het graf niemand God zal loven. In het graf heerst de stilte, want in het graf zingt niemand ’s Heeren lof (Psalm 115: 17). Hizkia leeft om de Heere te loven. Het leven is meer dan alleen verlenging van de genadetijd. Ook aan die genadetijd komt een keer einde en sterft een mens. Dat weet Hizkia. Het gaat er om dat wij hier in de tijd die we van God krijgen, beantwoorden aan het doel van het leven: loven en verheerlijken van God. Echt leven is loven. Leven zonder het loven van de Heere is de naam leven niet waard. Wie leeft zonder God is geestelijk gesproken dood. Het sterven zet de dood voort tot in eeuwigheid. De levende, die leeft met God, zal God loven. Het lied van Hizkia krijgt verdieping in nieuwtestamentisch licht. De levende is in Christus, de levende die niet meer zal sterven, maar eeuwig zal leven. Door de opstanding van Christus uit de doden is de dood niet langer een betaling van de zonde, maar een doorgang naar het eeuwige leven.

– – –

Gespreksvragen

  1. Heeft in tijden van nood het gebed een grotere plaats in uw leven? Is dat terecht?
  2. Wat heeft de volgorde in het Onze Vader ons te zeggen voor onze gebeden?
  3. Wat betekent de genezing van Hizkia voor onze gebeden om genezing?
  4. Is leven voor u ook het zien van Gods vertroostend aangezicht? Hoe brengt u dat over aan anderen?
  5. Hoe krijgt het loven van God gestalte in het dagelijkse leven?

 

Ds. H. Polinder is predikant van de Maranathagemeente op Urk