jaargang 130, nr. 6, 19 maart 2021

Lezen: Genesis 25:19-21

In 1967 werd in Den Haag een congres gehouden onder de naam ‘Chaos rond Eros’, waar men sprak over de noodzaak van een nieuwe seksuele moraal, omdat, zo zei men, ‘de oude normen niet meer voldoen en huichelarij in de hand werken’. Helaas moeten we zeggen dat die nieuwe moraal inmiddels echt voor chaos rondom Eros gezorgd heeft. Aangewakkerd door een wereldwijde beweging die haar naam ontleent aan een hele serie seksuele voorkeuren en varianten (de LHBTIQAPC-beweging, meestal afgekort als de LHBTI-beweging). Alleen al de lengte van die term geeft iets van de huidige chaos aan …  

Als we verder lezen in Genesis is de tijd van toen natuurlijk ook niet ideaal geweest, ook niet op het punt van huwelijk en seksualiteit. In zekere zin ligt het allemaal wel wat eenvoudiger. We ontmoeten in onze tekst één man en één vrouw die samen een gezin stichten. Vanzelfsprekend hebben zook een kinderwens. En als die onmogelijk lijkt, zijn Izak en Rebekka voor ons tot voorbeeld. Gelovig en geduldig gaan ze met hun vragen in gebed tot God. 

Een zaak van geloof
De opbouw van het boek Genesis heeft iets van een trechter. Dat wil zeggen: in de loop van het boek vindt langzaam maar zeker een toespitsing plaats. Van alle families die we er tegenkomen blijft er uiteindelijk één over, met wie God Zijn plan gaat volbrengen op weg naar Christus’ komst. Als in Genesis 25 de schijnwerper nadrukkelijk op Izak gericht wordt, moet je dat in je achterhoofd houden. In zijn leven gaat het uiteindelijk om de komst van de Zaligmaker! Bedenk dat ook, als vers 21 meldt dat er voorlopig geen nageslacht lijkt te kunnen komen: Rebekka is namelijk onvruchtbaar. Het plaatst haar en haar man voor een dubbel probleem. Zoals elk echtpaar koesteren zij een kinderwens. Intussen is het geestelijk ook van het grootste belang dat er nageslacht komt! 

Wie het boek Genesis kent, ziet overigens wel een lijn ontstaan. Onvruchtbaarheid blijkt in de familie uit wie Jezus geboren zal worden namelijk nogal eens voor te komen (zie ook Gen. 11: 30 en 29: 31v). Het wonder van Jezus’ komst zal er alleen maar groter van worden. Daarom werkt God wel eens vaker ‘door de onmogelijkheden heen’. Matthew Henry merkt nog iets anders op als hij bij vers 21 schrijft dat Gods voorzienigheid Zijn belofte vaak tegen lijkt te spreken. Zijn doel daarmee is echter dat Hij het geloof van Zijn kinderen beproeft en hen oefent in geduld.

Zo bezien mag je zeggen dat Izak in onze tekst de proef glansrijk doorstaat. In tegenstelling tot wat vroeger zijn vader en later zijn zoon Jakob zelf op touw zetten om hun nageslacht uit te breiden, gaat Izak de enig juiste weg. Hij legt zijn probleem voor aan God. Dat is onder meer een uiting van Izaks geloof. Het stelt ons voor de vraag: zijn ‘gewone’ dingen zoals een kinderwens of gezinsvorming ook dingen die we in het geloof beleven? Wat is de eerste gang die je maakt, als je op hetzelfde probleem stuit als Izak en Rebekka: naar de gynaecoloog of naar de genadetroon? Verwachten we het van de artsen of van de God van de belofte? Nee, we hebben weliswaar geen speciale belofte zoals Izak en Rebekka die hadden. We mogen echter wel pleiten op de macht van Hem, ‘Die zet uit mensenmin d’ onvrucht’bre in een huisgezin’ (Ps. 68: 3 berijmd). En Die, als het in Zijn plan past, op Zijn tijd ook vandaag de baarmoeder opent. En als Gods wijsheid anders beslist, leert het geloof ook daarop vertrouwen.  

Overigens is het denkbaar dat velen, als het gaat om gezinsvorming, met het omgekeerde probleem worstelen. Dat wil zeggen: wél vruchtbaar, maar met de verzoeking om de kinderwens voorlopig te parkeren omdat de eigen carrière of het aflossen van de hypotheek voorgaatMen krijgt dan geen kinderen, maar neemt ze. Niet op Gods tijd, maar op de zelfgekozen tijd. Wie in geloof leeft, waagt het met God. Niet alleen voor de eeuwigheid, maar ook voor dit tijdelijk leven. Dat lijkt soms een sprong in het diepe. Er kunnen vragen zijn rond (financiële, lichamelijke of psychische) draagkracht. Over huisvesting en nog meer dingen. Wie echter alles in God hand leert leggen, komt nooit beschaamd uit.ii 

Een zaak van gebed
Let vervolgens op wat Izak in geloof doet: bidden. Zoals gezegd heeft hij daar een dubbele reden voor: het uitblijven van de kinderwens betekent in zijn geval ook het uitblijven van de vervulling van Gods belofte. Dat maakt hem niet passief maar actief. Nee, niet onheilig actief, zoals elders in Genesis gebeurt. Denk aan wat andere aartsvaders doen met bijvrouwen als Hagar, Bilha en Zilpa. Izak wordt heilig actief. Zoals het hoort met wat God belooft. Dat wordt niet vervuld terwijl je met je armen over elkaar zit, maar in de weg van gevouwen handen. Bidden mag daarbij ook een zaak van pleiten zijn. De joodse traditie zegt dat Izak dit gebed heeft uitgesproken op de berg Moria. Een mooie gedachte. Dat was namelijk de plaats waar eenmaal God tot Abraham zei: ‘Ik zal uw zaad zeer vermenigvuldigen als de sterren des hemels en als het zand dat aan de oever der zee is’ (Gen. 22: 17)Als het waar is dat Izak juist op die berg om nageslacht gebeden heeft, legt hij daarmee als het ware zijn vinger bij die belofte.iii 

Izaks gebed is ook een voorbeeld voor wie een relatie hebben, omdat hij het in het bijzijn van zijn vrouw gedaan heeft. Waarom zouden we dat niet van hem overnemen? Je deelt zoveel met elkaar. Uiteindelijk eigenlijk alles: je leven, je huis, je geld en je slaapkamer. En je bent aan elkaar gegeven om elkaar ‘trouw te helpen en bij te staan in alle dingen’, onder meer in de ‘eeuwige dingen’, zegt het klassieke huwelijksformulier. Laat dat ook in het gezamenlijk bidden gestalte mogen krijgen. Het verrijkt je huwelijk. En voor wie zich nog voorbereidt op het huwelijk ligt hier een opdracht. Namelijk om de verkeringstijd onder meer te gebruiken om – ook biddend – te leren samen God te zoeken. Om eerst geestelijk één te zijn voor je het ook lichamelijk mag worden. Hier geldt, wat de profeet Amos in zijn boekje vraagt: ‘Zullen twee tezamen wandelen, tenzij dat zij bijeen gekomen zijn?’ (Amos 3: 3)!iv 

Een zaak van geduld
Misschien dat iemand opmerkt: Het is wel een mooie tekst natuurlijk, maar het lijkt mij wat al te simpel toe te gaan. Izak bidt met Rebekka om de kinderzegen en God verhoort. Punt.’ Het is zaak om de tekst wel goed te lezen. Wie vers 20 met vers 26 vergelijkt, komt erachter dat er een periode van maar liefst twintig jaar verstreken is tussen het gebed en de verhoring.  

God kan het gelovig bidden oefenen in geduld. Het zij ter bemoediging en ook ter aansporing gezegd voor wie al zo lang uitziet naar verhoring. In het bidden om een kind of het bidden vóór een kindhet bidden om bekering van een geliefde of om uitkomst bij relatieproblemen. Soms lijkt het ‘of de hemel van koper is’ en worstel je met de aanvechting: helpt het allemaal niks? Die aanvechting zal Izak ook wel gehad hebben. Twintig jaar is tenslotte een hele tijd! Toch heeft hij in het verbeiden van God volhard. De kanttekenaren op de Statenvertaling geven aan dat de uitdrukking ‘hij bad zeer’ ook vertaald kan worden met ‘hij hield aan met bidden’. En intussen ging God, ook in Zijn voorlopig zwijgen, Zijn eigen goddelijke gangDoor het geloof te beproeven en het geduld te oefenen. Izak is er niet beschaamd mee uitgekomen. 

Daarin liggen lessen voor vandaag. Voor mensen met een relatie én voor alleenstaanden. Izak pleitte om Christus’ komst. Wij mogen pleiten op Christus Die is gekomen. Dat wil zeggen: op Zijn volbrachte werk. Voor onszelf persoonlijk en met het oog op onze relaties, op huwelijk en gezin. In het vertrouwen: wat naar Gods wil is en tot Zijn eer strekt, wordt op Zijn tijd vast en zeker verhoord.v 

Gespreksvragen 

  1. Matthew Henry schrijft bij vers 21 dat Gods voorzienigheid Zijn belofte vaak tegen lijkt te spreken. Zijn doel daarmee is dat Hij het geloof van Zijn kinderen beproeft en hen oefent in geduld. Welke voorbeelden hiervan kunt u uit uw eigen leven noemen?
  2. In verband met de lessen die uit de coronacrisis te trekken zijn, is door meerderen de vinger gelegd bij het ‘maakbaarheidsdenken’ dat door de pandemie een behoorlijke tik gekregen heeft. In hoeverre zouden we met dit denken ook als christenen besmet zijn geraakt? En wat heeft dat bijvoorbeeld ten aanzien van onze gezinsvorming te zeggen?
  3. Waarom is pleiten zo’n krachtige manier van bidden? Hoe brengt u dat zelf in de praktijk?
  4. Als u opgroeiende kinderen hebt, spreekt u dan met hen over de geestelijke en lichamelijke aspecten van hun (toekomstige) relatie? En vergt de openheid waarmee de wereld bijvoorbeeld over seksualiteit spreekt niet ook onze openhartigheid, ook over de valkuilen waarin we zelf zijn gelopen?
  5. De Bijbel geeft op allerlei plaatsen onderwijs over Gods bedoeling met ‘onverhoorde gebeden’ of ‘uitgestelde verhoring’. Zie bijvoorbeeld Jesaja 30: 18 en 2 Korintiërs 12: 9. Wat kunnen we hieruit leren?