jaargang 131, nr.11, 27 mei 2022

Mijn kinderen praten zelden over de hemel. Het is de woonplaats van opa die ze nooit gekend hebben. Zelf hebben ze er niet zoveel mee. De hemel is voor ooit, de aarde voor nu.

Heb ik er te weinig met hen over gesproken? Heb ik het niet goed uitgelegd? Had ik vaker Openbaring moeten lezen aan tafel? Regelmatig bekruipt mij het gevoel dat ik tekortschiet in de opvoeding van mijn kroost. Ik kan heel wat dingen noemen die beter zouden kunnen. En helaas staat geloofsopvoeding daarbij op nummer één. Op een dag als Hemelvaartsdag voel ik dat weer eens. Het is duidelijk dat ik steken heb laten vallen als het gaat om de levende realiteit en hoop van Gods Woonplaats.

Als ik ’s avonds de jongste naar bed breng, zie ik een blauw armbandje aan haar pols. ‘Doe die maar even af. Dat is niet handig bij het slapen.’ Ze kijkt me geheimzinnig aan en fluistert: ‘Nee mam, zie je die kleur? Dat is de kleur van de hemel. Als ik bang ben in bed, dan kijk ik naar mijn armbandje en weet ik dat God bij mij is…’

Op dat moment dringt het tot mij door. De hemel is misschien te abstract voor haar. Maar God gaat de hemel ver te boven en te buiten. De kleur van de hemel is op aarde zichtbaar. Zijn aanwezigheid in het hier en nu is tastbaar voor de kinderlijke ogen van het geloof.