128e jaargang, 20 december nr.26

Als klein meisje smachtte ik naar een snoepje onder de kerkdienst. Aan het begin van de preek hoorde ik van alle kanten geritsel van papier. Het water liep me in de mond. Wij kregen op zondag thuis wel snoepjes, maar het was niet de bedoeling dat we die in de kerk opaten.

Dan sta je zelf voor de vraag wat je hiervan doorgeeft aan je kinderen. Van m’n begeerte naar snoep onder de preek is inmiddels niets over. Ik vind de kerk er gewoon de plek niet voor en dat heb ik ook aan de kinderen uitgelegd. Willen ze een snoepje eten, dan houd ik dat niet tegen. Het snoepinitiatief gaat echter niet van mij uit.

Inmiddels heb ik ontdekt dat snoep in de kerk een sociale functie vervult. Het verbindt namelijk mensen aan elkaar. Jaren geleden kregen onze meiden wekelijks een Fruittella-rolletje van een jong stel. We zaten iedere zondag naast hen in de bank. Het meisje dacht voordat ze naar de kerk ging al aan onze meiden en stopte de rolletjes in haar tas. Onze meiden verheugden zich op de lekkernij. Toen het stel trouwde, hebben we van alle snoeppapiertjes het woord ‘gefeliciteerd’ gemaakt en aan het bruidspaar aangeboden.

Zou snoep ook kunnen verbinden aan God? Dan kan het stroken met de eredienst. Sinds ik hoorde van een oude joodse traditie over zoetigheid zeg ik volmondig ‘ja’. Bij de eerste les op de thoraschool kregen de kinderen honing op hun vingertoppen. Terwijl de kinderen aan de honing mochten likken, zei de leraar: “Mogen Gods woorden zoet zijn, als de honing voor jullie mond. Mogen Gods woorden het meest verrukkelijke zijn dat jullie ooit hebben geproefd.”

Dan kom je thuis uit de kerk en zeggen je kinderen: “It was finger lickin’ good!”