128e jaargang, 26 april nr.9

In de nacht van woensdag 17 op donderdag 18 april jl. overleed prof.dr. W.H. Velema. Hij werd 89 jaar.

Achter deze sobere feiten gaat een lang leven schuil van dienstbaarheid aan kerk, universiteit en samenleving. Het heengaan van deze markante dienaar van het Woord en hoogleraar roept voor velen van ons ook een vloed aan herinneringen op.

Op 15 november 1929 werd hij in Drachten geboren. Al jong wist hij zich geroepen om, net als zijn vader, dienaar van het Woord te worden. Na zijn theologische studie werd hij op 13 september 1953 tot predikant bevestigd in Eindhoven. Hij promoveerde in 1957 aan de VU bij prof.dr. G. C. Berkouwer cum laude op een dissertatie over De leer van de Heilige Geest bij Abraham Kuyper. Na Eindhoven diende hij de gemeente van Leiden en in 1966 benoemde de generale synode hem tot hoogleraar.

Zijn vakkenpakket was erg breed: nieuwtestamentische vakken, ambtelijke vakken en ethiek. Na de benoeming van prof. Versteeg in 1969 vielen de nieuwtestamentische vakken voor hem weg en kon hij zich volledig concentreren op de ethiek en de praktische vakken. Maar de breedte van theologische disciplines bleef kenmerkend voor zijn theologisch bezig zijn: prof. Velema publiceerde vele artikelen, boeken en geschriften op allerlei terrein. De bibliografie in zijn jubileum- en zijn afscheidsbundel beslaat vele bladzijden. Daarbij schroomde hij niet publiekelijk een duidelijk Bijbels-gereformeerd standpunt in te nemen in allerlei ontwikkelingen in theologie en samenleving. Dat werd hem niet altijd in dank afgenomen.

Zo uitte hij al vroeg zijn bezwaren tegen de opvattingen van prof. Kuitert in zijn boek Aangepaste theologie (1971). Tijdens een college in die tijd liet hij merken hoe pijnlijk hij geraakt was door het feit dat mensen als dr. Buskes en zelfs zijn promotor, prof. Berkouwer, publiekelijk van zijn visie afstand namen.

Door zijn colleges homiletiek (predikkunde) heeft hij in de dertig jaar van zijn hoogleraarschap hele generaties predikanten gevormd. Op een gegeven moment ging hij naar aanleiding van preekvoorstellen van studenten zelf preekschetsen schrijven over de teksten die zij hadden bepreekt. Daaruit zijn drie bundels preekschetsen gegroeid die hij in de loop van de jaren heeft gepubliceerd. Zij worden nog steeds gebruikt. Dat onderstreept trouwens dat hij – ook als hoogleraar – vóór alles dienaar van het Woord wilde zijn.

Velen zullen zich ook zijn gedreven, gloedvolle en bewogen preken met dankbaarheid herinneren. Hij was gezegend met een bijzonder grote werkkracht. Tijdens vergaderingen was hij doorgaans zoveel mogelijk ook met andere dingen bezig, maar van de bespreking ontging hem niets.
Iets typerends. Toen de synode mij in 1995 als zijn opvolger benoemde, legde hij dezelfde dag een stapel van zijn collegedictaten op mijn tafel, vergezeld van de woorden: ‘Hier, dan kan je je vast voorbereiden!’

Na zijn emeritaat werd het stiller in zijn leven. Verdriet bleef hem in die periode niet bespaard. Zeker na het overlijden van zijn vrouw werd het verlangen naar het land van de eeuwige rust steeds sterker. Zijn woorden uit een interview zijn deze dagen al meer aangehaald: ‘Ik verlang er heel sterk naar om de Heere Jezus te ontmoeten, en met Hem ook de Vader en de Heilige Geest. Om dan eeuwig te leven met een drie-enig God’. In dat licht gedenken we hem met veel respect en grote dankbaarheid.