128e jaargang, 12 april nr.8

In november ging hij met emeritaat. Sinds februari woont hij met zijn vrouw in Bennekom, dicht bij de kinderen. ‘Je moet niet blijven zitten waar je predikant bent geweest en je opvolger voor de voeten lopen.’ Een gesprek met ds. Pim Hogenbirk. Hij noemt zichzelf een beetje recalcitrant maar toch ook behoudend.

“Ik houd niet van termen als licht en zwaar. Ook niet van behoudend. Ik ben ook heel behoudend. Ik kom niet aan de inhoud, wel aan de vorm. Dat Elburg zich druk maakt over de diensten in Zwolle, mag Elburg doen, maar laat Zwolle Zwolle zijn en laat Elburg Elburg zijn. Laat het toch gaan om het wezenlijke!

Met Pasen moet ik in Amsterdam-Amstel preken. In die grote stad. Nog geen tweehonderd leden hebben ze daar. In Bennekom vijfhonderd en in Veenendaal tweeduizend. Laten we met elkaar meedenken, we hebben elkaar zo nodig. Het gaat om de inhoud. Hoe kunnen we elkaar helpen en bemoedigen?”

Ds. Pim Hogenbirk en zijn vrouw Jennie zijn blij met hun nieuwe plekje in Bennekom. Er wordt nog wel geklust, maar de studeerkamer – “ik noem het nu mijn werkkamer” – is al aardig op orde.

“Als ik nu naar mijn boekenkast kijk, was dat destijds gemaskeerde onzekerheid. Preken moet je in de praktijk leren. Je bent in het begin zo onzeker, je hebt dan al die boeken nodig. Nu sta ik er wat rustiger in. Je zelfvertrouwen moet groeien.”

Strijd
Pim Hogenbirk werd geboren in Utrecht en was van-huis-uit gereformeerd-synodaal. “Ik kende de Christelijke Gereformeerde Kerken niet. Die leerde ik pas kennen toen ik mijn vrouw leerde kennen – zij was christelijk-gereformeerd. Mijn ouders waren verontrust gereformeerd. In die tijd begon Kuitert zich te profileren. Geloven was toen niet leuk – er was strijd. Toch heb ik er een stuk leiding in ervaren. Ik was blij dat ik van-huis-uit veel heb meegekregen. Want als je veel meekrijgt, kun je ook veel weggooien. Dan houd je de kern over.

Na de militaire dienst bij de Mariniers leerde ik op de Bijbelschool mijn vrouw Jennie kennen. Ik wilde de zending in en Jennie ook. Maar men zei dat ik dan eerst theologie moest studeren. Toen ben ik in Utrecht begonnen met de theologiestudie. Nog steeds met het idee de zending in te gaan. Maar dan krijg je een gezin en gaat het schuiven. Uiteindelijk wilde ik toch predikant worden en ging naar Apeldoorn.”

“Of ik toen een identificatiefiguur had? Ja, In Apeldoorn was dat voor mij professor Versteeg. In Apeldoorn moest ik afleren om Hogenbirk te zijn. Voor het derde admissie-examen moest ik een preek houden voor de hoogleraren. En ik probeerde echt om het Woord het Woord te laten. Professor Van Genderen zei toen: ‘Ik heb te veel Hogenbirk gehoord.’ Ik baalde als een stekker: ’t is niet gelukt. Daarna kwam Versteeg: ‘Ik heb vanmorgen het Woord van de Heere gehoord door de mond van Hogenbirk.’ Dat was het moment dat ik mijn roeping aanvaardde.

Als ik ‘Utrecht’ en ‘Apeldoorn’ naast elkaar zet, dan heb ik in Utrecht de vrijheid van de theologie geleerd, maar de consistentie van de theologie gemist. In Apeldoorn heb ik de consistentie van de theologie geleerd en de vrijheid gemist. Vooral het vragen stellen. In Utrecht was het antwoord niet belangrijk, maar wel hoe je tot een antwoord komt. De opleiding in Apeldoorn is wel veranderd. Als ik nu de jonge broeders meemaak, ben ik wel eens jaloers op ze. Mensen met een rug.”

Wantrouwen
“In de tijd dat ik beroepbaar werd gesteld, was er veel wantrouwen in de kerk. Ik moest ook lang wachten op een beroep. In september werd ik beroepbaar gesteld en ik dacht: Als ik in februari nog geen beroep heb, ga ik zelf zoeken. Naar iets in het justitiepastoraat of bij instellingen of zo. Maar toen kwam er een beroep uit Sassenheim. Dat was een mooie tijd. Ik was echt een dorpsdominee, iedereen kende mij. Ik zat ook in het schoolbestuur, deed mee met de vakantiebijbelclub en was interkerkelijk bezig.”

De eerste preken waren volgens ds. Hogenbirk te vol. Een beginnersfout, noemt hij dat. “Later preek je toch anders. In het begin stopte ik te veel in één preek, waar ik nu drie preken over houd.”

Zeven jaar later volgde Veenendaal-Bethel, daarna Gorinchem en ten slotte Aalsmeer. Gemeenten met elk een eigen karakter. Hogenbirk heeft er een hekel aan als hij daarmee een stempel opgedrukt krijgt. “Ik voel me soms een beetje afgewezen. Zo moeten we niet met elkaar omgaan. Reken een predikant niet af op de plek waar hij gestaan heeft. Als een gemeente zo met mij omgaat, is het de vraag of ik daar wel lid wil worden.”

Het echtpaar Hogenbirk woont nu in Bennekom, dichtbij de kinderen. “We hebben vier kinderen: één in de hemel en drie op aarde, zeg ik wel eens. Onze eerste is bij de geboorte overleden. Dat werd een stukje theologische rouwverwerking voor mij. Je wordt er wel door gevormd.”

In eerste instantie wil echtpaar Hogenbirk zich aansluiten bij de plaatselijke gemeente. “Al wordt hier uit de oude berijming gezongen en ben ik een Liedboekman. Maar daar gaat het niet om – dat zijn vormen. Bennekom mag zijn wat Bennekom is. Er is niets mis met traditie. Je hebt iets te bewaren. Behalve als je niet weet wat je behoudt. We kijken nu even rustig of we hier lid zullen worden. Het is wel de eerste optie. We moeten ons thuis voelen.”

Goede Vrijdag
Ds. Hogenbirk is niet het type dat achter de geraniums gaat zitten. Hij is een bezige bij en preken doet hij graag. Zijn agenda loopt al aardig vol.

“Maar ik hoef mezelf niet meer waar te maken. Ik geloof echt dat God best wel wat op mijn bordje zal leggen om te doen wat ik nog niet weet. Dat komt vanzelf op me af, daar ben ik van overtuigd.

Met Pasen preek ik in de Amsterdam-Amstelgemeente. Iedereen weet dan waar het over moet gaan en wat er gezongen moet worden, toch willen ze steeds iets nieuws horen. Dat is best lastig.

Goede Vrijdag heb ik nog niet weggegeven. Goede Vrijdag is voor mij de dienst die ik het liefste doe. Als je leest: …en Jezus gaf de geest, wordt de paaskaars uitgeblazen. Dan dooft het licht. En dan zing je ook Psalm 31: In U, o God almachtig, beveel ik nu Mijn geest.”

Dat emotioneert de emeritus-pastor. Er wordt een traantje weggepinkt. Na een ogenblik van stilzwijgen: “Dan gaat het niet meer om een preek. Het lijdensevangelie zelf moet het duidelijk maken. Als je dan bij elkaar bent om het lijden en sterven van je Heiland te gedenken, is dat zo kostbaar… Dat is geen dienst voor even tussendoor. Het is de meest wezenlijke van alle diensten.

De Passion op tv? Ik kijk er nooit naar. Het is wel dapper om te proberen het evangelie bij de mensen te brengen, maar voor mij is het te veel spektakel. Goede Vrijdag is een dieptepunt en tegelijk het hoogtepunt waar alles uit voortkomt. Het voorhangsel scheurde van boven naar beneden. Niet andersom. Niet wij hebben toegang tot God, maar God treedt uit Zijn verborgenheid naar ons toe.”