jaargang 129, 5 juni 2020, nr. 12

‘Het leven van een christen is een heilig liturgisch offer’ 

Een interview met Jaco van der Knijff

Een van de grote ontdekkingen tijdens zijn studie aan de Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA) was de grote rol die muziek speelt in de Bijbel en in het leven van een christen. Ondertussen is dr. Jaco van der Knijff al ruim een jaar als docent liturgiek verbonden aan het instituut waar ooit zijn liefde voor het kerklied werd geboren.

In de kerkelijke tradities van de afgelopen eeuwen valt veel moois te ontdekken, vindt theoloog en hymnoloog Jaco van der Knijff (43). Er is dan ook nog veel onderzoeksgebied dat braak ligt. In 2018 promoveerde Van der Knijff op de zogenoemde ‘Eenige Gezangen’. “We hebben sinds mensenheugenis een collectie gezangen achter in ons psalmboek staan, maar we wisten met z’n allen niet waar die vandaan kwamen.”

Wat bracht de TUA ertoe om u te benoemen als docent liturgiek?
“In de kerken speelt er ontzettend veel op dit terrein, juist vanwege de diversiteit en ontwikkelingen op liturgisch gebied. In een deel van de kerken wil men dat alles hetzelfde blijft, terwijl de invulling van erediensten in andere kerken heel snel verandert. Men vond het dus belangrijk dat dit vak meer gewicht kreeg.”

Welke taken liggen er op uw bordje?
“Ik ben verantwoordelijk voor het vak liturgiek. Dat was lange tijd een keuzevak, maar sinds kort krijgen alle studenten het vak. Daarnaast kan ik keuzevakken aanbieden, zoals over het kerklied. Vanuit de TUA leeft er een sterke wens om mijn kennis te delen met een breder publiek dan alleen studenten en wetenschappers. Ik denk dat ik dat al volop doe. Als redacteur kerk en cultuur bij het Reformatorisch Dagblad publiceer ik regelmatig over liturgie en het kerklied. Verder geef ik les aan de Vormingscursus van de CGK en geef ik lezingen. Kerkenraden weten me inmiddels ook te vinden. Aan onderzoek ben ik helaas nog nauwelijks toegekomen. Ik werk slechts een dag per week voor de TUA, maar ik heb genoeg ideeën voor een weektaak.”

Bezinning

Wanneer moeten kerken zich gaan bezinnen op kerkmuziek?
“De eerste stap is dat men zich ervan bewust is dat men een liturgie heeft. Soms zeggen kerkenraden: ‘Wij hebben helemaal geen liturgie.’ Dat kan twee dingen betekenen, zei laatst iemand: georganiseerde stijfheid of spontane armoede. We doen het zoals we het altijd al gedaan hebben of we laten het helemaal los. Als je in een gemeente zit waar geen ruimte is om iets te veranderen, dan is het nog steeds noodzakelijk om je te bezinnen op de liturgie. Ook dan moet je antwoord kunnen geven op vragen zoals: waarom zingen we alleen psalmen? Waarom zingen we niet-ritmisch? Waarom hebben we een ouderling als voorlezer?”

En als er wel ruimte is voor veranderingen?
“Dan is het belangrijk dat je weet wat je uitgangspunten zijn als je de deur open wilt zetten. En naar welke kant zet je die deur dan open? Wat je ziet, is dat er vaak ruimte komt voor evangelische invloeden. Voor een aantal mensen is dat fijn. Van hen mag het allemaal wat losser en laagdrempeliger. Anderen oriënteren zich veel liever richting de hoogliturgische traditie. Deze gemeenteleden zie je bijvoorbeeld geregeld bij een Choral Evensong. Dit segment van de gemeente wordt naar mijn idee heel weinig bediend als er sprake is van liturgische vernieuwing. In de kerk gaat het er overigens niet om dat er gebeurt wat de meerderheid wil. Uitgangspunt moet zijn dat de gemeente van Christus op zondag haar Heere ontmoet en Hem wil eren. Vanuit de gereformeerde traditie nemen we vervolgens mee dat de samenkomst met de gemeente ook iets heiligs heeft. Calvijn benadrukt dat bij de gemeentezang Gods engelen aanwezig zijn. Dat besef, dat het de heilige God is bij Wie de gemeente samenkomt, is een heel belangrijke gereformeerde lijn. En ook een tegengif tegen alles wat vooral vrolijk, leuk en gezellig moet zijn en vooral geen drempels moet opwerpen. Er zijn zeker grenzen! ‘Ik kom in uw heiligdom binnen’, zingt een opwekkingslied. Dat zou ik dan ook wel willen merken als je de kerk binnenkomt, qua sfeer en uitstraling. De eredienst mag best een tegencultuur vormen ten opzichte van het leven van alledag.”

Gereformeerde liturgie

Het feit dat wij in een gereformeerde traditie staan, heeft dus consequenties?
“Wij zijn niet anglicaans, niet rooms, niet evangelisch. Wij zijn gereformeerd. Tenminste, aan de TUA is dat het uitgangspunt. Dat weten de studenten, ook als ze uit een andere traditie komen. Daarom gaan we altijd terug naar de bronnen van de Reformatie. Wat is daar gebeurd? Wat heeft iemand als Calvijn gezegd in zijn tijd en situatie? Het is altijd weer een eyeopener voor studenten als ik met hen in de Institutie 1536 lees over het heilig avondmaal. Calvijn constateerde dat het avondmaal binnen de katholieke traditie aan de gemeente werd onthouden. Hij was daar furieus over. De sacramenten zijn de gemeente gegeven tot versterking van haar geloof, dus het avondmaal moet minstens één keer per week gevierd worden, schrijft hij dan. Daar heb je gelijk een uitgangspunt waar we nog steeds heel veel mee kunnen. Het is de gemeente die samenkomt, het is de gemeente die de liturgie viert. De gemeente bestaat dus niet uit een groep toeschouwers of toehoorders. Zo heeft Calvijn ook de gemeentezang ingevoerd. Die actieve participatie is een van de basisbeginselen van de gereformeerde liturgie.”

In hoeverre spelen oudtestamentische gegevens hierin een rol?
“Ik denk dat we uit de eredienst die we in het Oude Testament tegenkomen nog steeds veel kunnen leren. Als wij belijden dat God vandaag Dezelfde is in Zijn verhevenheid en nabijheid en dat wij mensen niet veranderd zijn, dan kun je vanuit het Oude Testament grondlijnen trekken. We komen tijdens de eredienst voor het aangezicht van de heilige God. Dat besef stempelt je eredienst. De invulling van de liturgie heeft dus alles te maken met je godsbeeld.” 

Heeft elke eredienst een bepaalde opbouw?
“Ik vond ergens een mooie aanduiding in zes werkwoorden. De liturgie van een eredienst is opgebouwd uit komen, buigen, horen, vieren, delen en ten slotte: gaan. Daar zit een volgorde in, waardoor je elementen niet zomaar kunt verwisselen. Het eerste deel van de dienst staat in het teken van voorbereiding. We komen van buiten en stellen ons voor het aangezicht van God. Ons past dan verootmoediging en schuldbelijdenis, maar we mogen ook de genade toegezegd krijgen. Daarop volgt het gebed om de opening van het Woord en de verlichting door de Heilige Geest, waarna de preek komt. Pas dan komt het uitgebreide gebed met allerhande voorbeden; dat hoort thuis bij de dienst der offeranden en gebeden aan het eind van de dienst. De gemeente heeft dan Gods Woord gehoord en als reactie daarop bidden en geven wij. Doe je het ‘grote gebed’ en de collecte echter vóór de preek, dan krijgen die onderdelen ineens een heel andere kleur. Aan het einde van de dienst wordt de gemeente heengezonden om de liturgie in praktijk te brengen in diaconaat, liefdebetoon en het zoeken van gerechtigheid voor de wereld. Er loopt dus een lijn vanuit de liturgie van de eredienst naar het ‘gewone’ leven. Ik denk aan wat Paulus zegt in Romeinen 12: ‘Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst.’ Vanuit de zondagse eredienst als hoogtepunt en startpunt is dus het hele leven van een christen een heilig liturgisch offer.”

interviewer: Geerten Jan van Dijk