jaargang 130, nr. 24, 26 november 2021

Door de gebrokenheid van de schepping is ons lichaam onderhevig aan allerlei gebreken. Daar probeert de medische wetenschap wat aan te doen. Door middel van genetische aanpassing lijkt veel mogelijk te worden. Maar mag alles wat mogelijk is? “Ik ben principieel tegen ‘verbetering’, omdat de mens dan object wordt van ons geknutsel”, stelt prof. dr. Henk Jochemsen.

Het menselijk DNA kan op verschillende manieren worden aangepast. Dit noemen we ook wel genetische modificatie. Dit kan op diverse manieren. Gentherapie op lichaamscellen van een patiënt gebeurt al en geeft volgens Jochemsen geen bijzondere ethische problemen. Dat kan bijvoorbeeld bij bloedziekten en spierziekten.
“Maar kiembaangentherapie, dit is gentherapie op een embryo”, legt Jochemsen uit, “is ook bepalend voor het nageslacht. Dan moet je denken aan ziekten die in de familie voorkomen. Soms heb je een man en vrouw die beiden drager zijn van een ‘ziek’ gen, terwijl ze dat niet weten. Dan kan een kind van hen ziek worden, zoals van de taaislijmziekte. Maar bij dominante overerving kan een kind een ziekte krijgen als één ouder het ‘zieke’ gen heeft, zoals bij de ziekte van Huntington.
Bij kiembaangentherapie, die nog niet kan en niet mag, gaat het dus vooralsnog om de aanpassing van een ernstig gendefect. Het komt erop neer dat het ‘zieke’ gen in alle cellen van die persoon door een goed gen wordt vervangen en dat je daarmee een ziekte kunt voorkomen. Het zieke gen wordt ook niet meer doorgegeven aan de volgende generatie.
Bij kiembaangentherapie kan de gedachte opkomen om eigenschappen van een mens te versterken. Dan gaat het niet om therapie, maar om ‘verbetering’. Of, zoals het heet, over human enhancement. Dat is een belangrijk onderscheid.
Maar is dat onderscheid tussen therapie en verbetering in de praktijk altijd even scherp? Als je bijvoorbeeld mensen die in hun werk een posttraumatisch stresssyndroom kunnen oplopen – zoals de brandweer of speciale legereenheden – door een bepaalde behandeling daarvoor minder vatbaar kunt maken, is dat dan preventie of verbetering? Toch blijft het onderscheid tussen therapie of preventie en verbetering belangrijk. Verbetering is mensen vermogens geven die eigenlijk buiten de normale mogelijkheden van een bepaald individu vallen. Er bestaat breed in de bevolking grote aarzeling bij enhancement. Niet zozeer tegen kiembaangentherapie op zich. Maar de weg hiernaartoe kent de nodige bezwaren.”

Embryo’s
Om genmodificatie op embryo’s toe te passen, heb je embryo’s nodig en kom je op het terrein van embryo-onderzoek.
“Inderdaad, om die techniek te ontwikkelen op embryo’s, moet je eerst embryo’s kweken voor onderzoek. En die gaan verloren. Daar ligt een groot ethisch probleem als je uitgaat van de volledige beschermwaardigheid van het embryo. Volgens de huidige embryowet mogen geen embryo’s gekweekt worden voor onderzoek. Dat mag alleen met overtollige embryo’s van een ivf-behandeling. Maar de derde evaluatie van die wet, van mei dit jaar, vindt dat die beperking opgeheven moet worden. Dat is nu een politiek discussiepunt.”

 Wat is de link van human enhancement, het verbeteren van mensen, naar de opstanding van het nieuwe lichaam, zoals we dat belijden?
“Uit het feit dat onderzoek gedaan wordt naar grotere menselijke vermogens kun je afleiden dat er in mensen een diep verlangen is om aan de beperkingen van dit gevallen mens-zijn te ontkomen. We zijn ook niet zo geschapen zoals we nu zijn. Onze vermogens en onze lichamelijke toestand zijn onderhevig aan de gevolgen van de zondeval en de zonden van ons eigen leven. We kennen in dit bestaan de ervaring van kwetsbaarheid, ziekte en handicaps en van gebrokenheid daarin. Mensen beseffen: dit kan de bedoeling van het leven niet zijn, het moet anders kunnen. In die zin kun je er ook iets positiefs in zien. Alleen is de grote vraag: kunnen we dat technisch bereiken? Datzelfde geldt voor levensverlenging. Sommigen beweren dat die heel ver kan gaan. Ik zet daar grote vraagtekens bij. En waarom willen mensen dat? Blijkbaar is er toch de ervaring dat de dood niet bij het leven hoort. Tegelijkertijd is er in dit gekwetste bestaan ook de ervaring dat het op een gegeven moment goed is als het einde komt. In dit soort menselijke ervaringen zien we indirect iets naar voren komen van de scheppingsbedoeling van het mens-zijn.”

Lichaam
In het klassieke Griekse denken stelde het lichaam niet veel voor. Hoe spreekt de Bijbel daarover?
“De lichamelijke opstanding van Christus en van de mens tonen het grote belang van het lichamelijke bestaan van de mens. Het lichaam is maar niet een bijkomend iets bij het mens-zijn.
We moeten onderscheid maken tussen het lichaam in de gevallen staat en Gods bedoeling met de mens als lichamelijk wezen. Over het lichaam in de gevallen staat, is Paulus ook niet onverdeeld positief: ‘Wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?’ Dat dit bestaan in het lichaam niet is wat God bedoeld heeft, is ook altijd een diepe ervaring geweest, ook van christenen. Maar tegelijkertijd is het antwoord dan niet het loslaten van de lichamelijkheid, maar de opstanding en de verheerlijking van het lichaam.
Gods regering en de komst van Zijn koninkrijk is een gefaseerd gebeuren. Eerst komt het loslaten van dit lichamelijke bestaan, het sterven, om bij de opstanding in een nieuw lichaam op te staan. De graankorrel moet eerst sterven, voordat er een nieuwe plant komt. Wat de Heere Jezus van Zichzelf zegt, geldt ook voor ons.
Dus de lichamelijkheid moet wel benadrukt, maar in de huidige vorm niet verabsoluteerd worden. In deze spanning staat de christelijke ethiek tegenover de enorme technische mogelijkheden om in het lichaam in te grijpen en gezondheid te bevorderen.”

Spanning
“De grote spanning die wij nu op dit gebied hebben”, gaat Jochemsen verder, “is dat men, wat in Gods beloften aangeboden wordt – nieuw leven in onvergankelijkheid en een lichaam dat niet meer sterft – met techniek wil realiseren, hier en nu.
Als een mens voor God gaat spelen, loopt het uit de hand. Daar zit ook een belangrijke spanning in de christelijke ethiek. Namelijk om niet allerlei vorderingen zo maar af te wijzen, maar te erkennen dat er met die wetenschap en techniek ook heel mooie dingen mogelijk zijn. Dat er ook iets van Gods barmhartigheid en Gods zorg voor mensen in zichtbaar kan worden. Maar tegelijkertijd moeten we wel onderscheiden: Wordt dit nu een verabsolutering van dit lichamelijke aardse bestaan? En als het ware een ontkenning van onze sterfelijkheid en een ontkenning van het oordeel over de huidige vorm van het menselijk bestaan? De werkelijke vernieuwing kan alleen door het oordeel heen tot stand komen op grond van Christus’ werk.”

Hoe ziet u genderdysforie in dit verband?
“Genderdysforie is de ervaring van de tegenstelling tussen het beleefde en het lichamelijke geslacht. Dat zie ik als een stoornis waar mensen enorm onder lijden en waar veel spanningen ontstaan.
Ook hier zie je dat de wetenschap een technisch antwoord biedt, namelijk transitie. Een deel van deze mensen ervaren dat als een verlichting, in elk geval aanvankelijk. Het opheffen van lijden is op zich een goed streven. Maar ook een goed doel rechtvaardigt niet alle middelen. Het onderwerp is te complex om er nu verder op in te gaan.
De opstanding van het lichaam zegt daar ook wat over. Dan zal je in ieder geval deze dysforie niet meer hebben. Het onvolmaakte zal afgedaan hebben. In de tweede plaats zullen de seksen zoals wij die kennen, niet meer op die manier functioneren. Er is geen sprake van een huwelijk van man en vrouw zoals nu. We zullen in dat opzicht zijn als engelen in de hemel. Een belangrijke vraag is wel in hoeverre we met onze techniek daarop vooruit mogen lopen.”