127e jaargang, 22 juni, nr.13

‘HERE, U doorgrondt en kent mij.’, Psalm 139: 1

Enkele weken geleden las ik in een regionaal kerkblad: ‘We mochten voor een concreet gezin voorbede doen in een specifieke situatie’. Dat droeg de concrete sporen van een specifieke wetgeving die op een bekende datum inging. Wat  moeten we ervan denken? In alle eerlijkheid vond ik het te verkiezen boven de vele details die in ditzelfde regionale blad vele jaren over ziekte en zorg te lezen waren, en die een lezer deden blozen vanwege details waar inderdaad de privacy in geding was. Maar tevens: dit is natuurlijk het andere uiterste.

We worden met de neus op de vragen gedrukt: willen en mogen wij alles van elkaar weten? Heeft iedereen niet recht op een eigen ‘domein’? In de gemeente zijn wij gewend veel met elkaar te delen van ons eigen leven. Veel … maar  niemand zal zeggen: álles! Sommige persoonlijke dingen houden we voor onszelf, of we delen ze hooguit met onze trouwe levenspartner – als onze goede God ons die geschonken heeft.

Maar die ‘goede God’ dan? Mag Díe alles van ons weten? Als je de Bijbeltekst hierboven goed leest, dan is dat blijkbaar een nutteloze vraag. De HERE wéét alles van ons. Alles! Hij doorgrondt ons, kent ons dus van binnen en van buiten. Weet van onze woorden nog voor ze ons ontglipt zijn (vers 4), kent de wegen die wij gaan in dit leven, heel concreet (vers 3), stijgen wij ten hemel of dalen we af in de aarde, Hij is er (vers 8). Hem ontgaat niets. Er is geen hoekje van ons leven dat Hij niet kent. Geen privacy voor de HERE.

De privacywet is uitgevaardigd om ons te beschermen voor schaamteloos indringen in ons persoonlijk leven. Dat wil je toch niet? Nee, en terecht. Maar hoe zit het dan met het gegeven dat geen privacywet de HERE bindt? Nog sterker: hoe kan het dat David er helemaal geen moeite mee heeft dat niets voor Gods privé is bij wat hij doet en beleeft? En dat is al het geval vanaf het moment dat hij ontstond, en nog groeide in de buik van zijn moeder (vers 13). Het is hem te wonderlijk, hij kan er niet bij (vers 6), en hij looft de HERE om dit alles (14).

De reden van deze onbekommerde vreugde om de afwezigheid van privacy is te vinden in het tweede werkwoord van onze tekst: ‘U … kent mij’.  Dat is een heel intiem ‘kennen’. Hetzelfde woord gebruikt de Bijbel als het gaat om de volledige eenheid tussen een man en een vrouw die elkaar binnen de ruimte van het huwelijk liefhebben. Die twee voelen zich helemaal veilig bij elkaar en geven zich zonder reserve. Dat kan wat lijden. Zo is dat ook tussen de HERE (de Verbondsgod dus!) en een mens die Hem als Vader heeft leren kennen. Daar zit de Here Jezus tussen; Hij slaat de brug tussen die twee. En zo mag God alles van mij weten. Ik heb geen behoefte aan privacy. U wel? Maar waarom dan?

Wél privacy bij God
Soms zijn er dingen waarvoor je je schaamt, juist als je door God ‘gekend’ bent. Daarvan wist David ook: ‘Doorgrond mij … zie of er bij mij een schadelijke weg is, en leid mij op de eeuwige weg’ (vers 23 en 24). En David wist waar hij het over had. Hij kende zijn ‘schadelijke wegen’ Maar hij wist ook: die zijn bij mijn God veilig. Hij kent mij door en door. Dat wat zwart is bij Mij wil Hij wit maken. En mijn geheimen zijn bij Hem veilig.

Waarom? Hierom: daarvoor heeft de Heiland zijn bloed gegeven. Geheel zonder privacy aan een kruis gehangen, bekeken door alle mensen. Ontluisterd en te schande gemaakt. Dat wil de HEERE met u en jou niet laten gebeuren. Schuld belijden betekent bij Hem: bloed erover, privacy gegarandeerd op grond van Hem die deze privacy geheel ongegrond ontbeerde. Behalve hen aan wie eventueel schuld beleden moet worden blijft het veilig. Wilt u/jij uw privacy aan Hem kwijt?

D. Quant is emerituspredikant van Huizen en woont in Houten