127e jaargang, 26 oktober, nr.22

“Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, als broeders ook tezamen wonen.” –  Psalm 133: 1

Volkomen onverwacht stonden mijn broer en zijn vriendin enkele weken geleden bij ons voor de deur. Ze kwamen niet alleen op verjaardagbezoek. Mijn broer kwam ook langs om ons te bedanken voor de steun die wij hem de afgelopen jaren hebben mogen geven. Hij heeft zijn leven weer ‘op de rails’. Bovendien, via een ALPHA-cursus heeft hij ook weer de weg naar God en een gemeente gevonden! En nu kwam hij ons bedanken. Hij bracht een bordje mee in de vorm van een hart met daarop de tekst: ‘Zo superblij met een broer als jij!’

Ik wilde dit moment graag met je delen bij het overdenken van deze Psalm. Want wat kun je als broers en zussen – in familieverband maar ook in je kerkelijke gemeente en in het kerkverband – geweldig veel voor elkaar betekenen.

Bedevaartslied
Psalm 133 hoort tot de reeks van bedevaartliederen, liederen die gezongen werden door de pelgrims die op weg zijn naar de heilige stad Jeruzalem. Ze zijn vanuit de hele bewoonde wereld op weg gegaan om in de stad van God een van de grote feesten mee te vieren. Voor sommigen is de reis lang en ver, bovendien niet zonder gevaar. Wilde dieren, rovers en het weer kunnen onderweg problemen veroorzaken. Daarom reist men niet alleen maar gaat men in groepjes. En onderweg zingen ze jong en oud liederen, bedevaart liederen, liederen van ‘het opgaan’ (Psalm 84 en 120-134).

Of David, de koning-dichter, deze Psalm gecomponeerd heeft wordt door velen in twijfel getrokken. Dat is mijns inziens ook niet belangrijk. Het gaat in deze Psalm om de inhoud: de onderlinge liefde van gelovige broers en zussen. De HERE zegent deze onderlinge liefde.

Tezamen wonen
In gedachten zie ik de grote groepen pelgrims op de pleinen in Jeruzalem. Ze zijn gekomen – ieder met hun eigen verwachtingen en gedachten – om hier, in het huis waar God de HERE wil wonen onder zijn volk, Hem te eren en te danken. Ze hebben van alles meegebracht om hun dank te betonen: offerdieren, geld, wierook en andere kostbare geschenken. Het zal een oogverblindend geheel en een kakofonie van geluiden zijn geweest. Iets daarvan zien en horen we als Jezus zijn woede botviert op de handelaren en geldwisselaren (Mattheüs 21: 12-13). Zij hebben de tempel als gebedshuis in een openbare markthal veranderd. Dat kan Gods bedoeling niet zijn.

God heeft de tempel bedoeld als een ontmoetingsplaats. Om Hem en elkaar te ontmoeten rondom de Schriften en in verbondenheid met elkaar samen te zingen en te bidden tot zijn eer.

Als dit je meest innige intentie, je diepste verlangen is, om naar Gods huis te komen dan ontmoet je daar niet alleen Hem, de HERE. Je ontmoet er ook elkaar: als broers en zussen. Hoe goed is dat, hoe tof. Hier mag je samen ‘wonen’. Met God en met elkaar!

Als olie en als dauw
De dichter van Psalm 133 vergelijkt het samen wonen als broers en zussen van God met de overvloedige en geurende olie waarmee Aäron tot hogepriester is gewijd en met de dikke ochtenddauw van de Hermon die neerdaalt op de bergen van Sion/Jeruzalem. Beide vergelijkingen willen iets aangeven van de overvloedige en vruchtbare zegen die God geeft als broers en zussen in liefde samenwonen.

Samen bijeen zijn in het huis van de HERE is niet alleen maar gezellig, al is het dat ook. Er hangt in het huis van God een geur van liefde. Je proeft er iets van de eeuwigheid in, iets van de Geest van God!

En zo vruchtbaar als het op de Hermon is door de dikke dauw die het droge en dorre land vochtig maakt, zo vruchtbaar wordt nu ook de liefde op de bergen van Sion als pelgrims hier als broers en zussen samen wonen, als kinderen van de sjaloom, als kinderen van de vrede. ‘Daar gebiedt de HERE de zegen, leven tot in eeuwigheid!’

 

Ds. Jan K.C. Kronenberg is emerituspredikant van Haarlem en woont in Leeuwarden (www.uitdekroontjespen.nl)