124e jaargang nr. 10, 8 mei 2020

Door J.A. Voorthuijzen

Dit jaar had een jubeljaar moeten worden. Precies vijfenzeventig jaar eerder werd ons land bevrijd van het Duitse juk. Een bijna niet te dragen last werd ons eindelijk afgenomen door bevriende legers uit landen om ons heen. Genoeg reden om uitbundig te feesten. Vanwege de coronacrisis is het een uiterst sober en ingetogen feest geworden, wat menigeen een katerig gevoel bezorgde.

Jubilea worden in Nederland vaak met eenheden van vijf gemeten. De Bevrijdingsdag op de vijfde mei leidt een keer in de vijf jaar tot een nationale feestdag. Dan is echt bijna iedereen vrij, horeca en een aantal van de ‘vitale beroepen’ uitgezonderd. De vier tussenliggende jaren wordt er door de meeste Nederlanders gewoon gewerkt. De vrije dag ging dit jaar wel door, maar we vierden deze binnen of in eigen achtertuin. En als we ons toch op straat waagden hielden we ons keurig aan de anderhalvemeterrichtlijn. De maatregelen van de overheid werden door ons keurig opgevolgd. Iedereen was en is doordrongen van het feit dat het feest van de vrijheid ingetogen gevierd moest worden uit voorzorg voor de gezondheid en de welstand van de vele mensen om ons heen. Er is geen Nederlander die er aan dacht om daar tegenin te gaan of vanaf te wijken. En het volksdeel dat ‘het vijfde gebod’ kent al helemaal niet. Toch?

Bijbels jubeljaar
In de Bijbel en het oude Israël worden jubileumreeksen niet met het getal vijf, maar met het getal zeven gemeten. Zo schreef de wet van Mozes voor dat ieder zevende jaar een sabbatsjaar moest zijn en na zeven keren het zelfs een jubeljaar moest worden: “Verder moet u voor uzelf zeven sabbatsjaren tellen, zeven keer zeven jaar, zodat de perioden van de zeven sabbatsjaren negenenveertig jaar voor u zijn. Dan moet u in de zevende maand, op de tiende dag van de maand, bazuingeschal laten klinken. Op de Verzoendag moet u de bazuin in heel uw land laten klinken. U moet het vijftigste jaar heiligen en vrijlating in het land uitroepen voor alle bewoners ervan. Het is jubeljaar voor u: ieder zal terugkeren naar zijn eigen bezit en ieder zal terugkeren naar zijn familie. Elk vijftigste jaar moet jubeljaar voor u zijn. U mag dan niet zaaien, niet oogsten wat er na uw laatste oogst nog opkomt, en de druiven van uw ongesnoeide wijnstok mag u niet plukken, want het is jubeljaar. Het moet heilig voor u zijn. U mag van de akker eten wat hij uit zichzelf opbrengt” (Lev. 25: 8 -12).

Gaat de economie kapot?
Buiten de Bijbelboeken Leviticus en Numeri komen sabbatsjaar en jubeljaar bijna niet voor. Al helemaal niet in de Bijbelboeken die verhalen van het praktische en alledaagse leven van het volk Israël. Nergens valt te lezen dat de oproep van Mozes als profeet van God concreet en letterlijk opvolging heeft gekregen. “Logisch”, denken wij westerlingen, opgegroeid met het adagium dat stilstand achteruitgang is en een gezonde economie een paar procenten groeien moet jaar na jaar. Wij kunnen ons bij deze woorden maar weinig voorstellen. En wees eerlijk: je zult maar veertig jaar geleden het boerenbedrijf hebben overgenomen van je failliete oom en zijn kinderen verdreven hebben van hun oude bezittingen. Met veel energie, zweet en tranen heb je er uiteindelijk een goedlopende onderneming van gemaakt. En dan staat in het jubeljaar opeens die luie neef op de stoep om het oude familiebezit weer op te eisen…Het kan toch niet anders dan dat het jubeljaar voor velen eerder als een rampjaar beleefd werd?

Zegen voor het land
Je hoeft geen landbouwkundige te zijn om aan te voelen dat de oude wetten van Mozes goed voor het land en heilzaam voor de mensen kunnen zijn. Als akkers te intensief worden bewerkt en te vaak op dezelfde grond dezelfde gewassen worden verbouwd, raakt de aarde uitgeput. Zoals het goed is voor de mensen om na zes dagen werken een dag te rusten, is het ook goed dat het land, na zes jaren van intensief gebruik, een jaar de tijd krijgt om te rusten en op adem te komen. Naast dat het goed is voor het land, is het ook goed voor het volk Israël. Want het vroeg geloof om op de zevende dag in de woestijn niet naar manna op zoek te gaan. Zo vraagt het ook geloof om in het zevende jaar het land te laten rusten en het van de Here God te verwachten. Het vraagt geloof om vijftig jaar te zorgen voor een klein stukje van de aarde en het dan als pachters of huurders weer terug te geven aan de oorspronkelijke bezitters van lang geleden. Heb ik wel iets van dat geloof?

Jubelen gaat door pijn heen
Het verwondert mij altijd weer dat miljoenen jonge soldaten van soms duizenden kilometers ver, hun vaderland verlieten om met gevaar voor eigen leven onze vrijheid te bevechten. Wat een verdriet gaat er nog steeds schuil achter alle oorlogskruizen en monumenten. En hoe pijnlijk blijft het om te lezen, dat direct na de bevrijding het nodig gevonden werd om in een soort volksgericht de Nederlanders, die samenwerkten met de Duitsers, te veroordelen tot de doodstraf. Ook op het feest van bevrijding zijn Dachau, Sobiborn, Auschwitz, Westerbork en Vugt niet vergeten en herinneren we ons de dood van zoveel wereldburgers. Ook zonder coronacrisis is er genoeg reden om ingetogen en met pijn in het hart onze bevrijding te vieren.

In de jubeljaarstand gezet
Hoewel de oorzaak van de lockdown dramatisch is, de pijn op het (inter)menselijke vlak niet te peilen valt, de mensen in de zorg aan de hoge werkdruk dreigen onder te gaan en menig bedrijf of zzp’er op een faillissement afstevent, laat deze crisis ook zien dat ons economisch leven dolgedraaid was. Opeens is de uitstoot van gevaarlijke stoffen sterk afgenomen, zijn er nauwelijks files, is het stil rond Schiphol en brengen gezinnen veel meer tijd met elkaar door dan voorheen in vier vakanties bij elkaar. Zonder de wil en de bedoeling van God te kunnen duiden, lijkt het toch alsof we geforceerd in de ‘jubeljaarstand’ zijn gezet: geef het land, de zee en de lucht rust, kom tot bezinning, laat de gedachte los dat wat je om je heen verzameld hebt van jou is en verwacht nog meer dan ooit van God als de Schepper van hemel en aarde.

Het toekomstige jubeljaar
Hierboven schreef ik dat het jubeljaar in veel Bijbelboeken, anders dan Leviticus en Numeri, helemaal niet voorkomt. Het komt op een andere plaats wel voor en dan ook direct met zo’n sterke, profetische lading, dat ik deze niet ongenoemd mag laten. Bijna aan het einde van zijn boek vol profetieën laat Jesaja ons een vergezicht zien dat Bevrijdingsdag 2020 en de coronacrisis in een heel ander perspectief plaatst: “De Geest van de Heere HEERE is op Mij, omdat de HEERE Mij gezalfd heeft om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen. Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om voor de gevangenen vrijlating uit te roepen en voor wie gebonden zaten, opening van de gevangenis; om uit te roepen het jaar van het welbehagen van de HEERE en de dag van de wraak van onze God; om alle treurenden te troosten; om aangaande de treurenden van Sion te beschikken dat hun gegeven zal worden sieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een benauwde geest, opdat zij genoemd worden eiken van de gerechtigheid, een planting door de HEERE, om Hem te verheerlijken.” (Jes. 61: 1-3).
Wie zich nog afvraagt hoe en wanneer deze profetie in vervulling gaat, wijs ik er graag op dat de Here Jezus aan het begin van Zijn werk, in zijn woonplaats Nazareth op deze oude woorden teruggrijpt en aan iedereen in de synagoge verkondig dat “heden deze Schrift in uw oren in vervulling is gegaan” (Luk. 4: 21). Na een eerste reactie, die lijkt op een jubelstemming, slaat de vreugde om in woede en willen zijn stadgenoten Hem zelfs om het leven brengen. Voor ons blijft de aansporing en de bemoediging om het in het diepste dal van deze crisis toch vooral van deze Heiland te verwachten. Voor vandaag, voor morgen en voor alle dagen die nog komen.