jaargang 130, nr. 20, 1 oktober 2021

Een paar dagen voor Prinsjesdag 2021 moesten twee demissionaire ministers toch nog het veld ruimen. Een dag na elkaar trokken de ministers Kaag en Bijleveld de conclusie dat zij het ambt van minister niet langer konden uitoefenen, omdat een meerderheid in de Tweede Kamer een motie van afkeuring steunde. Samen werden zij verantwoordelijk gehouden voor de chaotische evacuatie uit Afghanistan. 

Of ieder lid van de Tweede Kamer dat de motie steunde heeft voorzien en gewild dat dit het gevolg zou zijn, betwijfel ik. Minister-president Rutte legde eerder dit jaar, toen ook al demissionair, een andere motie van afkeuring naast zich neer. Het zou begrijpelijk zijn geweest als de ministers Kaag en Bijleveld dit ook hadden gedaan, maar omdat minister Kaag eerder dit jaar haar mening over het aanblijven van Rutte niet onder stoelen of banken had gestoken, kon zij nu weinig anders meer dan zelf opstappen. En daarmee maakte zij het voor haar collega Bijleveld onmogelijk om aan te blijven. 

Verdrietige aanleiding
De aanleiding van deze gebeurtenissen is een diep trieste. Nadat president Biden besloten had om het Amerikaanse leger sneller dan eerder ingeschat uit Afghanistan terug te trekken, was de situatie daar onhoudbaar geworden en moest er snel tot evacuatie van Nederlandse burgers en daarmee samenwerkende Afghanen overgegaan worden. In dit proces zijn door de betrokken ministeries en daaronder vallende organisaties fouten gemaakt. Het Nederlandse bestuur is zo ingericht dat de betreffende minister hiervoor dan de ultieme politieke verantwoordelijkheid draagt. Overigens is het niet de eerste keer dat de politiek in Nederland over Afghanistan gestruikeld is. Op 20 februari 2010 viel het vierde kabinet-Balkenende, omdat het geen overeenstemming wist te bereiken over het verzoek van de NAVO tot voortzetting van de Nederlandse militaire activiteiten in de Afghaanse provincie Uruzgan. Evenals nu, was ook toen sprake van een bijna onoverbrugbare afstand tussen onze politici in Den Haag en de mensen in Afghanistan. Wat dit alles extra verdrietig maakt, is het feit dat de Nederlandse betrokkenheid ooit met goede bedoelingen en vanuit zuivere intenties is ontstaan, maar dat het gaandeweg onmogelijk is gebleken om een dergelijke missie zonder grote fouten uit te voeren. Daarnaast is er een aanzienlijk aantal gezinnen dat nog iedere dag worstelt met het gemis van een geliefde die in Afghanistan is omgekomen. Om van de vele traumaslachtoffers en het niet te beschrijven leed onder de Afghaanse bevolking zelf maar te zwijgen. 

Eervol ambt
Wie door het kleinmenselijke van de Haagse politiek heen weet te kijken, zal direct beamen dat het ambt van minister een eervol ambt is. Je zult maar geroepen worden door het Nederlandse volk en zijn koning om het land te regeren. Je zult maar de verantwoordelijkheid krijgen om richting te geven aan de ontwikkeling van de Nederlandse samenleving en een zwaarwegende stem krijgen in het eerlijk verdelen van de middelen en de ruimte waarover wij beschikken. Natuurlijk lijkt het mooi om in een grote blauwe auto rondgereden te worden en vergezeld te worden door een zwerm assistenten die jouw dikke dossiermappen dragen, maar iedereen kan daar toch doorheen kijken? Iedereen weet toch dat het een te zware baan is, van waaruit je zomaar in een burn-out kunt belanden of met andere gezondheidsklachten thuis op de bank komt te zitten? Ieder weldenkend mens zou toch voor de eer bedanken, tenzij het besef doorschemert dat er sprake is van roeping en ambt? Daarmee is niet gezegd dat er geen politici zijn die – zeer tot mijn verdriet – zichzelf vanuit antichristelijke idealen verkiesbaar hebben gesteld en verkozen werden, maar ook dan blijft het ambt van minister altijd een ambt dat respect verdient. De vraag wie het ambt vervult en hoe het wordt ingevuld doet daar niets aan af.  

Eenzaam ambt
Het ambt van minister is echter niet alleen eervol maar ook eenzaam. Omdat er via politieke coalities samengewerkt en geregeerd moet worden, is het onvermijdelijk dat er met grote regelmaat keuzes gemaakt en compromissen gesloten worden. Bij het aftreden van minister Kaag was de verbijstering op het gezicht van minister Bijleveld niet gespeeld. Het overrompelde haar. En waar zij eerst nog meedeelde aan te zullen blijven, kwam zij de volgende dag met het bericht naar buiten dat ook zij besloten had haar ontslag bij de koning aan te bieden. Wat er tussen donderdag en vrijdag precies is gebeurd, zal een raadsel blijven dat zij in eenzaamheid met zich meedraagt. Was er sprake van voortschrijdend inzicht? Was er druk vanuit de top van het CDA? Gooiden de politieke partners waarmee over een nieuwe coalitie werd gesproken roet in het eten? Of was het de goede nachtrust die haar tot andere inzichten had gebracht? Ervaren politica als zij is, zal zij ervoor waken niet meer via de pers te delen dan dat zij vindt dat verstandig is. Om vervolgens niet geloofd te worden en het echte verhaal in een vorm van eenzaamheid bij zichzelf te moeten houden.

Kerkelijke ambt
De vergelijking tussen het ministeriële en het kerkelijke ambt gaat op veel manieren mank, maar ook van het kerkelijke ambt geldt dat het eervol is en eenzaam maakt. Zo is het een eer om door de kerkelijke gemeente en daardoor ook door God geroepen te worden om een ambt in de kerk te bekleden. Er spreekt vertrouwen uit naar de persoon die geroepen wordt en er zijn blijkbaar goede gronden om te verwachten dat God gaven gaf en zal geven om de roeping op te kunnen volgen. Het is indrukwekkend om te mogen dienen in de kerk van Christus. Kijkend naar de oorspronkelijke betekenis van het woord minister – dienaar – is iedere ambtsdrager een minister: van Christus als de Koning van de kerk en van de kerk. Dat werk mogen doen is een eer die je stil maakt en regelmatig voor de vraag stelt: wie ben ik dat ik dit doen mag? Tegelijkertijd is het zo dat het kerkelijke ambt de ambtsdrager ook eenzaam maakt. Veel van wat in de kerkenraadskamer besproken wordt, kan niet in de gemeente gedeeld worden. Zorgen op geestelijk of maatschappelijk gebied vallen veel vaker dan gedacht onder het ambtsgeheim en kunnen onder geen beding met anderen gedeeld worden. Als het goed is, zal iedereen die bij vrouw of kind van de ambtsdrager naar informatie hengelt achter het net vissen, om de eenvoudige reden dat alles wat bij het ambt hoort niet thuis over tafel gaat, maar door de ambtsdrager in eenzaamheid gedragen wordt. 

Respect voor het ambt
Wie zich realiseert wat een ambt is, zal de drager daarvan met vertrouwen en respect tegemoet treden. Dat dit een regelrechte uitdaging is als de ambtsdrager zelf het vertrouwen schaadt, de mond voorbijpraat of vandaag heel andere antwoorden geeft dan gisteren zal duidelijk zijn, maar in beginsel verdient de ambtsdrager het om het vertrouwen en het respect te krijgen dat hoort bij het ambt dat bekleed wordt. En dat is voor een ambtsdrager in de kerk niet anders dan voor een minister. Bij het tonen van respect hoort ook het geven van voldoende ruimte voor de ambtsdrager om niet te hoeven antwoorden op vragen die niet beantwoord kunnen worden. Zonder het ambt in de kerken te willen traumatiseren of de ambtsdragers een te sterk gevoel van eenzaamheid aan te willen praten, wil ik ervoor pleiten dat ambtsdragers bespaard blijven dat zij door nieuwsjagers in de kerk opgejaagd worden en het gevoel krijgen zich permanent tegen te opdringerige gemeenteleden te moeten verantwoorden. Als ik het goed geleerd heb, komt het ambt wel op vanuit de gemeente maar heeft het ook een ‘tegenover’ in zich. Het is niet alleen de gemeente die kiest, het is ook God Die in die verkiezing meekomt en die verkiezing overneemt. Schapen dus, die zelf altijd schaap blijven en toch door de grote Herder geroepen worden om ‘onderherder’ of ‘minister’ te worden. Soms best wel eenzaam, maar ook heel eervol.