jaargang 129, 19 juni 2020, nr. 13

Er gebeurt veel in de kerk. Dat is mooi maar kan ook onrust geven – we moeten zoveel. Kunnen we het niet wat rustiger aan doen?  

Op een willekeurige zaterdag is er in een stad als Utrecht zoveel leuks te doen dat zelfs het organiseren van je vrije dag een stressvolle bezigheid wordt. Omdat je bang bent het concert dat je echt zou raken te missen of de tentoonstelling waarvan iedereen vindt dat je die gezien moet hebben mis te lopen. Dat verschijnsel wordt FOMO genoemd. FOMO betekent Fear Of Missing Out (de angst om iets te missen).
Maar de afgelopen weken was er even weinig reden voor FOMO. De zaterdagmiddagmuziek was tot nader order afgezegd, tentoonstellingen waren niet te bezoeken en zelfs met het hele gezin naar het bos gaan werd ontraden. Er viel niets meer te missen en dat gaf eigenlijk wel een rustig gevoel. Veel mensen ruimden hun huis op en pakketbezorgers reden de hele dag rond om gezelschapsspelletjes af te leveren.

Druk in de kerk
Ook in de kerk was er een aantal weken weinig te doen. Catechisaties mochten niet meer, Bijbelkringen en jeugdverenigingen werden afgezegd en zelfs op zondag gingen we de deur niet uit. We vergaderden via Zoom en dan bleek de kerkenraadsvergadering ineens wel om half tien afgelopen. Dat gaf velen een bepaalde rust want ook het kerkelijk bedrijf kan stress geven. Zouden we straks in het post-coronatijdperk iets van die rust kunnen vasthouden? Dat lijkt me een goede zaak. Waarom? Ik denk dat heel wat drukte niet nodig is en dat er een belangrijke reden is om rustiger aan te doen.

Ideale christenen
Waarom maken we ons zo druk? Allereerst omdat we een nogal idealistisch beeld hebben van een christen. Ieder jaar opnieuw vinden belijdeniscatechisanten de tijd na hun belijdeniszondag spannend. Want gaan ze het wel redden als christen? Blijven ze wel geloven? In het belijdenisjaar waren ze wekelijks bezig met de Bijbel en het geloof maar straks zijn het werk, studie en sociale contacten zaken die de aandacht opeisen. Vaak zoeken ze de oplossing in bepaalde doelen: voldoende stille tijd, lid worden van een kring, twee keer naar de kerk. Dat zit ook een wel beetje in onze traditie. Als in de Nadere Reformatie het christelijk leven wordt gestimuleerd, gebeurt dat aan de hand van kenmerken van het werk van de Heilige Geest. Dat gebeurt in de twintigste eeuw opnieuw in de evangelische beweging waar het christen-zijn wordt afgemeten aan de gaven van de Heilige Geest. Op zich niets mis mee, maar de insteek van beide stromingen kan wel een ideaal worden waar geen normaal mens ooit nog aan kan voldoen.

Meten met anderen
Daar komt bij dat we in een maatschappij leven waar we én veel mogelijkheden hebben én ons constant aan anderen spiegelen. Weer even terug naar het fenomeen FOMO. Dat is niet alleen een stressverschijnsel. Het heeft als basis dat het goede leven van je vrienden je teleurstelt over je eigen leven. Het is het gevoel dat je hebt als je na een dag werken in de tuin – waar je eigenlijk heel tevreden over was – een bericht op Facebook ziet van een kennis die met haar mooiste glimlach een glas rosé omhooghoudt en je denkt: had ik dat ook maar gedaan. Je ziet een foto van een lachende vriendin maar je lacht niet mee omdat je teleurgesteld bent. Je had namelijk de mogelijkheid om het meest perfecte leven te kiezen dat er is; maar zij herinnert je eraan dat je verkeerd gekozen hebt. En dat gaat ook mis in veel kerkelijke drukte. We meten en vergelijken en proberen de beste versie van ons christelijke zelf naar boven te halen.

De kerk als vereniging
Ten derde hebben we ons kerkelijk leven ingericht volgens het verenigingsmodel. In de loop van de negentiende eeuw begon het verenigingsleven te bloeien en in navolging van Abraham Kuyper hebben we het in de kerk ook zo georganiseerd. Je verbond je aan een club die geleid werd door een bestuur en werd geacht bij de bijeenkomsten te zijn die de club belegde. En zo beschouwen we de kerk als een vereniging die activiteiten belegt en waar je bij aanwezig hoort te zijn. Zelfs de collecte voor de kerk werd niet meer gezien als middel tot instandhouding van de eredienst maar als een vorm van contributie om de activiteiten en betaalde krachten te bekostigen. Is dat een goed model? Nou, het helpt mensen enorm om hun leven vorm te geven. Twee kerkdiensten bepalen één dag in de week, de zondag, en om die dag scharniert de rest van de week. De inwijding in wat er op zondag gebeurt, vindt plaats tijdens de catechisatieavond en de doordenking van het verkondigde Woord op verenigingen. Maar als we ons dagelijks leven eigenlijk nooit meer inrichten volgens zo’n model, past de werkwijze van de kerk niet meer. En als de structuur geen eigen keus meer is verwordt zij tot een mal waar we anderen de maat mee nemen. We zijn in de kerk dus vaak druk omdat we een bepaald beeld van onszelf of het kerkelijk leven hoog willen houden of omdat we gewoon niet weten hoe het anders kan. Om dat te veranderen, om de rust van de afgelopen weken vast te houden, lijkt het me goed om naar Petrus’ Pinksterpreek te luisteren.

Bekering
De aanwezigen op de eerste Pinksterdag vragen namelijk: ‘Wat moeten we doen?’ En Petrus geeft dan twee opdrachten: bekeer je en laat je dopen in Jezus’ naam. ‘Bekeer je’, wat is dat? Petrus verklaart de tekenen van wind, vuur en talen aan de hand van Joëls profetie als tekenen van de laatste dag, de oordeelsdag. En de hoorders beseffen daardoor dat ze aan de verkeerde kant staan want het is Jezus die oordeelt als Heere en Rechter. Jezus die zij gekruisigd hebben. ‘Bekeer je’, zegt Petrus dan. Of: ga aan de goede kant staan, erken de Heere Jezus als de Koning der koningen. Laten wij ons ook bekeren, toegeven dat we fout zitten als we menen aan ons eigen christen-zijn te moeten werken om deze wereld te redden of onze zaligheid te bewerken. Wanneer wij ervan doordrongen raken dat we in het einde der tijden leven moeten we niet meer zoveel. De heerschappij van Christus is aangebroken en we wachten op de definitieve doorbraak van zijn koninkrijk. Daar kunnen we niet zoveel aan doen. Wij houden geen vereniging gaande, wij zorgen er niet voor dat we goede christenen blijven. Maakt dat ons dan niet apathisch? Gaan we dan niet zitten wachten op de hemel met in moeilijke tijden het lied ‘Stil maar wacht maar, alles wordt nieuw’ op onze lippen? Volgens mij niet. De periode na de oorlog noemen we toch ‘de wederopbouw’? Wie hoort dat de oorlog voorbij is, hoeft niet meer te vechten, maar dat betekent toch niet dat hij niet meer weet wat hij met zijn leven aan moet?

De praktijk van Gods koninkrijk
Dat geeft richting aan ons kerkelijk bezig zijn. Veel van wat we doen en organiseren is goed en nuttig, maar de kern ligt bij het leren leven met en voor de God van hemel en aarde. Laten we onderzoeken of onze activiteiten daartoe behulpzaam zijn. Zo niet, dan kunnen ze heel nuttig zijn maar staan ze op het tweede plan. De activiteiten die ons leren leven onder Jezus’ heerschappij houden we vast, andere bezigheden laten we zitten of beschouwen we niet meer als verplicht. En ouderlingen vergaderen niet meer over allerlei praktische en beleidskwesties maar blijven doen wat ze de afgelopen weken voortreffelijk deden: hun wijk op allerlei manieren helpen om met de Heere te leven. FOMO is de angst dat je niet de beste keus maakt. Bekering betekent erkennen dat God de beste keus heeft gemaakt. Zo ontstaat de ruimte om zonder vrees te leren leven met Hem.

Ds. D.J.T. Hoogenboom is predikant te Utrecht-West