jaargang 130, nr. 13, 25 juni 2021

Gods oordeel en verlossing hebben niet alleen betrekking op mensen, maar op de hele schepping. In mijn masterscriptie heb ik dat uitgewerkt aan de hand van Jesaja 34 en 35. 

Als we op wetenschappelijke inzichten afgaan, gaat deze wereld geen rooskleurige toekomst tegemoet. Vermindering van de biodiversiteit, toename van het aantal natuurrampen, stijging van de zeespiegel: het zijn allemaal factoren die bijdragen aan een klimaatcrisis van ongekende omvang. Het wrange hieraan is dat de veroorzakers van deze crisis (westerse landen die de aarde en medemensen uitbuiten) deze gevolgen minder snel merken dan niet-westerse landen, waar nu al duidelijk wordt dat klimaatverandering grote impact heeft. Denk bijvoorbeeld aan een land als Bangladesh, waar klimaatvluchtelingen op dit moment al een feit zijn.
 

Ecotheologie
Als reactie op deze (dreigende en nu al werkelijke) klimaatverandering is een theologische stroming ontstaan: de ecotheologie. Deze vorm van theologie bezint zich vanuit theologisch perspectief op de klimaatcrisis. Een belangrijk uitgangspunt ligt in de ecologie: het idee dat menselijke en niet-menselijke schepselen met elkaar en met de wereld om hen heen verbonden zijn. Alles en iedereen gedijt erbij als alle relaties met elkaar in balans zijn. Je zou kunnen zeggen: dan leven we in het paradijs. God schiep de wereld op zo’n manier dat alle onderdelen uit de schepping op elkaar afgestemd waren. Helaas is dat al sinds de zondeval niet meer het geval. Die heeft nog maar net plaatsgevonden, of een Kaïn slaat zijn broer dood en God straft de wereld met een vloed vanwege het moreel verwerpelijke gedrag van mensen. 

De ecotheologie, theologie in het licht van de klimaatcrisis, vormt een goede en noodzakelijke aanvulling op de zogenaamde ‘heilshistorische’ benadering (een theologische stroming binnen de gereformeerde theologie) waarin Gods verlossingswerk in Christus en de weg die Hij met Israël en de mensheid gaat, centraal staat. De ecotheologie kan aan deze benadering een element toevoegen: aandacht voor de wereld waarin die mensheid zich bevindt. De hele Bijbel, en zeker het Oude Testament, laat zien dat God een God is van de hele wereld, en niet alleen van mensen. Door een ecotheologisch perspectief in te lijven bij de heilshistorische benadering, wordt Gods verlossingswerk alleen maar groter. Als deze wereld Gods wereld is en deze betrokken wordt in Zijn verlossingswerk, heeft dat gevolgen voor de houding van kerk en theologie ten opzichte van de aarde. Die houding vindt haar grondslag in het kruis, daar kom ik later nog op terug.  

Oordeel en verlossing
Voor mijn afstudeeronderzoek heb ik Jesaja 34 en 35, bij wijze van vingeroefening, op een ecotheologische manier gelezen. Ik stip een aantal observaties aan. Jesaja 34 en 35 kunnen gelezen worden als een tweeluik, waarin in hoofdstuk 34 het oordeel van God over Edom en in hoofdstuk 35 de verlossing door God van de vrijgekochten centraal staan. Daarmee staan de hoofdstukken symbool voor het hele Jesajaboek, waarin ook telkens deze twee kanten van Gods handelend optreden naar voren komen. 

 In hoofdstuk 34 hangt Gods zwaard ten oordeel boven Edom. Dat Edom – het broedervolk van Israël – genoemd wordt als land van Gods oordeel, is niet toevallig. Er bestaat een lange anti-Edomitische traditie in oudtestamentische teksten, waarbij soms expliciet gerefereerd wordt aan de betrokkenheid van Edom bij de val van Jeruzalem in 587/86 voor Christus (zie bijv. Ps. 137). Gods oordeel over land en volk is niet mals – er blijft niets van over. Opvallend is dat mensen geen prominente plaats in de beschrijving innemen, sterker nog, ze schitteren door afwezigheid. Voor eeuwig en altijd zal niemand door Edom trekken (vers 11). Met de mensen verdwijnen ook de dieren. Gods zwaard is verzadigd van vet en bloed – vet en bloed van lammeren, bokken en rammen. Met hen vallen ook stieren, ossen en kalveren neer. Deze dieren, alle rein en sommige geschikt voor de offerdienst, verdwijnen. Hun plaats wordt ingenomen door onreine dieren als uilen en raven (vers 11). Ook nemen woestijndieren en hyena’s plaats in de veranderde natuur. Beken zijn veranderd in pek, stof is zwavel geworden en in voormalige paleizen groeien doorns en distels. Kortom: het land is een wildernis geworden. God maakt Edom tot een woestijn. Hij heeft over het land een meetlint van chaos uitgestrekt (vers 11). Edom wordt een waste land, een land dat doet denken aan de staat van de wereld voordat God er orde in aanbracht. Leegte en chaos laten zien dat Gods oordeel niet alleen betrekking heeft op mensen, maar ook op dieren en het land.  

Jesaja 35 laat een heel ander beeld zien. Dit hoofdstuk loopt uit op de terugkeer van de vrijgekochten (de ballingen) naar Sion, de plaats waar God is. De toon in Jesaja 35 is van meet af aan blij en opgewekt, waarbij de natuur (evenals in hoofdstuk 34) een grote rol speelt. De woestijn en de wildernis worden opgeroepen vrolijk te zijn, te bloeien als een roos. Plaatsen die dor en doods waren, zijn veranderd in juichende, luisterrijke plaatsen die Gods heerlijkheid en glorie zien. Dat is blijkbaar niet alleen voorbehouden aan mensen, maar is ook bestemd voor natuurelementen. Tegen moedelozen wordt gezegd: zie uw God! Hij komt met Zijn wraak, maar die is (in tegenstelling tot hoofdstuk 34) hier niet vernietigend. Israëls God komt namelijk met Zijn verlossing, en dan vallen alle beperkingen weg: blinden gaan zien, doven gaan horen, kreupelen gaan springen en stommen gaan juichen (vers 5-6). Daarnaast stroomt het land dat eens dor en droog was vol water. Er komen rivieren in de woestijn, beken in de wildernis. Die gaf God al eerder, tijdens de woestijnreis, bijvoorbeeld. Door dit woordgebruik worden verschillende belangrijke momenten uit Israëls geschiedenis aan elkaar verbonden. De tweede exodus (uit de ballingschap) vindt tegelijkertijd plaats met de komst van Gods nieuwe schepping. Mensen, specifiek: de vrijgekochten, spelen in Jesaja 35 zeker een rol, maar staan daarbij niet los van hun omgeving. De weg waarover zij naar Sion gaan is een heilige weg, als het ware een rode loper, die is uitgerold in een omgeving die groeit en bloeit.  

Het kruis
In Gods oordeel wordt ook de schepping geoordeeld, terwijl in Gods verlossing de schepping juist tot bloei komt. De veranderingen waaraan de aarde nu onderhevig is door klimaatverandering, hebben wel wat weg van de transformaties die plaatsvinden in Jesaja 34. De aarde zal in de toekomst meer woestijn dan oase worden. Diersoorten verdwijnen in plaats van dat ze hun eigen plek onder de zon hebben. Een belangrijk verschil met de situatie in Jesaja 34 is dat in dit hoofdstuk expliciet genoemd wordt dat het oordeel van God afkomstig is, terwijl dit over de klimaatverandering in de eenentwintigste eeuw veel moeilijker te zeggen is. Maar je kunt wel zeggen dat wij met onze levensstijl en -standaard klimaatverandering over onszelf en deze wereld hebben afgeroepen, en dat dit oordeel ook nog eens onomkeerbaar lijkt. Is er dan wel hoop voor een schepping die nu in barensweeën zucht en lijdt?  

 Jesaja 34 en 35 weerspiegelen samen de structuur van het kruis: God werkt door het oordeel heen naar Zijn verlossing. Het kruis geeft een allesbeslissend oordeel over onze werkelijkheid. Een oordeel van vuur, woestijn en Godverlatenheid, maar ook een oordeel waar tegelijkertijd de bevrijding in ligt. Christus breekt, juist door Zijn sterven aan het kruis, de macht van de zonde, de duivel en de dood. Wij mogen door geloof delen in Zijn opstandingskracht, waardoor niet alleen wij worden vernieuwd, maar waardoor de hele kosmos wordt hersteld (zie ook Kol. 1). Jesaja 34 en 35 laten zien wie God is en hoe Hij handelt: Hij oordeelt, maar tegelijkertijd bewerkstelligt Hij ook een nieuwe schepping. Zijn oordeel en verlossing treffen niet alleen mensen, maar alles wat Hij schiep. Hoewel de wereld waarop wij leven nu kraakt in zijn voegen en dwars door het oordeel (dat we zelf over ons hebben afgeroepen) heengaat, mogen we geloven dat deze zal delen in Gods nieuwe toekomst (zie ook Rom. 8: 19-22). Hoe die er uit zal zien, weten we nog niet, wel dat gejammer en verdriet zullen wegvluchten en blijdschap en vreugde juist volop aanwezig zullen zijn (Jes. 35: 10).  

Wij worden geroepen te leven en te handelen met het oog op en vanuit die nieuwe wereld. Dat definieert onze omgang met de schepping. Niet omdat wij deze wereld moeten redden (het is immers Gods wereld), maar omdat uit de hele Bijbel (en zeker ook uit Jesaja 34 en 35) blijkt dat God niet alleen ons op het oog heeft, maar Zijn hele schepping. Dat vraagt als antwoord van ons verantwoord handelen, tot het moment komt dat zelfs het dorre land zal juichen.