jaargang 130, nr. 17, 20 augustus 2021

Er zijn veel manieren om rustig te worden. Maar werken ze ook? En wat gebeurt er met je als je de rust zoekt?Een aantal reflecties naar aanleiding van bezoeken aan abdij Gerleve. 

5.00 uur ’s morgens, de klok luidt over het kloosterterrein. Om 5.10 uur nog eens. Ik schiet in mijn kleren en loop de trappen af naar de kloosterkerk. Het is donker. Om 5.15 uur precies staan de monniken op van hun banken voor de metten en de lauden, de eerste getijden van de dag. In de hoge, sobere, witte kerk zitten vier mensen. In de koorbanken zingen de monniken elkaar de Psalmen toe en wij lezen en luisteren mee. Een paar keer wordt er een gedeelte uit de Bijbel gelezen en twee keer wordt er gebeden. Ondertussen wordt het licht. Als we na vijf kwartier weer buiten komen, staan we in het zonlicht. 

Prikkels
Die eerste vijf kwartier van de dag brengen me rust. Ik denk dat dat komt door de stilte, de schoonheid en de afwezigheid van prikkels. Daar komt bij dat er in een klooster een vaste structuur heerst. De volgorde van een getijde ligt vast en de gebedstijden bepalen het ritme van de dag. In een wereld van afspraken, mails en telefoontjes is dat een prettig idee want je hoeft niet steeds rekening te houden met dingen die onverwacht opduiken of zelf vorm te geven aan je leven. Het geeft houvast in een wereld die in stukken ligt.
Rust betekent hier vooral concentratie, concentratie op de woorden van de Psalmen bijvoorbeeld. Er komt zomaar een gesprek op gang tussen de ziel en Gods Woord. Nu is deze rust niet specifiek voor een klooster, lijkt me. Wie op hetzelfde tijdstip een wandeling in de natuur maakt, kan dezelfde rust ervaren.  

Het dogma van werk
Wat wel uniek is voor het klooster is de plaats van de klok. Om 12.00 uur luidt de klok opnieuw, iedereen laat het werk uit zijn handen vallen en spoedt zich naar de refter (de eetzaal). Daar schuif ik aan de lange tafels aan, als gast zit ik in het midden. Er wordt in stilte gegeten terwijl een van de monniken voorleest. 
Als de klok luidt, laat je je werk vallen. Dat is de regel. In iedere gang en op iedere kamer staat of hangt een klok. Wie het leven van een monnik leidt, moet toch geen horloge nodig hebben, zou je denken. Maar de kloosterregel stelt dat de verhouding tussen werk, gebed en Bijbellezen evenredig verdeeld moet zijn. En dat is een principe dat de rust in een klooster anders maakt dan die je in de natuur vindt.
Voor velen is rusten vooral uitrusten. We zijn moe van werk of studie en blij dat we een traditie van zondagsheiliging kennen. De zondag gebruiken we om bij te slapen en bij te komen. We laden ons in de zomer op om er in het nieuwe seizoen weer tegenaan te kunnen. Rust draait dus om het werk, we staan stil om harder te kunnen lopen. Maar hoeveel geboden heeft het vierde gebod eigenlijk? Het lijken er op het eerste gezicht twee (zes dagen zult gij arbeiden én op de zevende dag zult gij geen werk doen). Het eerste is echter een beschrijving (zes dagen slaaf je om al je werk te doen maar …). Er is dus maar één gebod, dat we rusten zoals God. In de tijd delen we iets met de HEERE: de rust. 
Als wij op de rustdag ons werk neerleggen en naar de kerk gaan, nemen we afscheid van werk met onze handen en leren begrijpen dat de wereld al geschapen is en zal overleven zonder de hulp van de mens. De wereld heeft onze handen maar onze ziel is van Iemand anders. De sabbat als een dag van rust, als een dag van je onthouden van zwoegen, is niet bedoeld om je verloren kracht weer terug te krijgen en weer fit te worden voor je werk. Het is geen tussenspel maar de climax van het bestaan. Een mens moet van ophouden weten. Dat is de clou van de rustdag. En dat hebben de monniken goed begrepen als ze overal een klok ophangen. 

De rust opgezegd
Maar goed: stilte, focus, een klok, maakt dat je uiteindelijk rustig? Voor even wel, maar die stille wereld (of dat nou een klooster of de natuur is) went ook weer. Dan verliest ze haar ‘magie’. Tussen de getijden en de maaltijden zit je alleen op je kale kamer en dan loop je zomaar met je ziel onder je arm. Een onrustige ziel. Want waar je tot rust komt, begint de onrust pas echt goed. Dan ontdekken we dat juist vrije tijd zoveel leegte brengt, zoveel verveling. Dan hebben we veel prikkels nodig, uitjes, events. Omdat we aan het leven gestorven zijn en alleen door onbenullig vermaak de verveling kunnen verdrijven. Of omdat je juist in de leegte van je vrije tijd wordt geconfronteerd met de leegheid van je bestaan.
Dat is mijn moeite met veel boeken die ons willen leren rust te vinden. Ze helpen en zijn daarom heel nuttig, maar ze lossen de leegte in ons bestaan niet op.
In het vorige nummer nam dr. Smits ons mee naar Luther. Daar moest ik aan denken. Wij zijn nog ‘in het vlees’ en dat ontdekken we als we stil worden. Dan blikken we in de leegte van ons bestaan. Juist waar dat besef doordringt, wordt dat andere punt van Luther zo belangrijk: dat ik niet zelf daaruit kom, maar dat ik vertrouw dat in de onrust God mij om Christus’ wil rechtvaardig verklaart.  

De liturgie als rustpunt
Rust ontvang ik uit het Woord van God en in de woorden die ik tot Hem spreken mag in het gebed. In de liturgie dus. In de abdij wordt dat wonderschoon tot uitdrukking gebracht. Na de completen om 20.15 uur is het stil, er wordt niet meer gesproken. Wie de anders zo vriendelijke monniken een goedenacht wenst, krijgt geen antwoord. Ze spreken pas weer als ze hun eerste woorden van de dag aan het begin van de metten uitspreken: Heere, open Gij mijn lippen, dan verkondigt mijn mond Uw lof. (Psalm 51)
Dat is een diepe gedachte, dat alleen de Heere God mijn mond kan openen. Dat een dag pas dan werkelijk begint als God tot en in mij spreekt. Ik heb de liturgie nodig om gerust te zijn.
Dan bedoel ik niet de liturgie die je optilt boven je dagelijks en aards bestaan, liturgie die twintig minuten worship nodig heeft om je in de juiste stemming te brengen of de tale Kanaäns om een sfeer van heiligheid te creëren. Geen liturgie die ons optilt naar God maar één die afdaalt, ingaat in onze tijd en deze wereld. ‘De kerk is de gemeenschap van aardgebonden en aardsgezinde mensen, die weet heeft van een Tegenwoordigheid Gods in de tijd.’ (Miskotte) Het is in onze zondige, onrustige wereld dat God verkondigt dat dit Zíjn wereld is en dat Hij HEERE (Ik ben) heet, wat betekent dat Hij in de onrust nabij is.
Wijlen dr. H.W. de Knijff heeft ooit gezegd dat wij zijn als de duif die Noach uit de ark liet gaan. Wij zoeken rusteloos naar een plek om ons te nestelen. Er zijn geen zekerheden, geen structuren meer. Maar soms vindt onze voet even een tak om uit te rusten. Die rust vinden we in Gods Woord. Dat is dan wel een plek die steeds weer opnieuw, door het Woord van God wordt geschapen. Zoals de monniken steeds weer zwijgen tot zij bidden of God hun woorden geeft. Zo hoef ik mijn leven niet zélf te vullen maar wacht (onrustig en toch gelovig) op Zijn Woord. Daar ontvang ik rust.