128e jaargang, 1 februari, nr.3

Aanstaande zondag is het opnieuw hulpverleningszondag. Wij worden door onze diakenen opgeroepen met gulle hand te geven voor onze naaste in nood. In verkondiging en gebed zal aan de nood van onze naaste en aan het bieden van een helpende hand aandacht worden gegeven. Een goede gewoonte die we zeker in ere moeten houden.

 

Hulpverleningszondag

Op 8 februari 1953 werd er op initiatief van prof. Van der Schuit een speciale collecte gehouden ten behoeve van kerken en gemeenteleden die zwaar getroffen waren door de Watersnoodramp van 1 februari 1953. In 1956 was er opnieuw een rampencollecte. Het geld was bestemd voor de zusterkerken in Hongarije die getroffen waren door de Hongaarse Opstand. Vanaf 1959 werd er jaarlijks een collecte geagendeerd voor hulp in binnen- of buitenland. Er werd gekozen voor de eerste zondag na 1 februari, omdat in 1953 op die dag door de diakenen gecollecteerd werd voor hulp aan getroffenen van de Watersnoodramp. En zo ontstond de hulpverleningszondag.

 

Hulp verlenen

Het valt op dat het gaat over hulp verlenen. Er wordt van ons gevraagd iets actief te doen voor een ander. Nu valt dat niet altijd mee, in een wereld waarin het bijna normaal is geworden om allereerst aan jezelf te denken. Dan komen al gauw termen als “verrijken” , “meer”, “graai-cultuur”, “hebben is hebben, en krijgen is de kunst” naar boven. Laten we maar niet doen of zulk denken ons vreemd is. Ook wij denken al snel eerst aan onszelf en dan pas aan de ander. Wat heb ik er aan? Kan ik dat geld wel missen? Heb ik daar wel tijd voor? Bij onze afwegingen staan toch veelvuldig die vragen voorop, en niet de vraag wat de ander nodig heeft. Eigenbelang doet vaak volop mee.

Maar vertelde Jezus ons al niet dat het is zaliger te geven dan te ontvangen (Hand. 20: 35)? Gelukkig zien we daarvan ook genoeg voorbeelden om ons heen. Uit onderzoek is gebleken dat Bijbelgetrouwe christenen beduidend meer giften geven dan andersdenkenden. Daarbij valt nog wel op te merken dat het leefgedrag van christenen minder afwijkt van de gemiddelde Nederlander dan zijn geefgedrag. De bezinning op wat christelijke soberheid en een verantwoorde leefstijl precies is en hoe we die tot uitdrukking brengen in ons leven mag wat mij betreft wel wat meer aandacht krijgen. Verder werd uit een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit december 2018 opnieuw duidelijk dat er in de kerken een enorme sociale bewogenheid is. Kerkleden doen twee keer zoveel vrijwilligerswerk als buitenkerkelijken. De kerk is de grootste vrijwilligersorganisatie in Nederland. Het is in het vrijwilligerswerk wel zo, dat het mes vaak naar twee kanten snijdt. Het doel is voor velen niet alleen om er puur en alleen belangeloos voor anderen te zijn, maar ook de vrijwilliger zelf komt iets halen in zijn vrijwilligerswerk. Bijvoorbeeld bij de diaconale reizen die door vele organisaties en naar veel verschillende landen georganiseerd worden is dat duidelijk aan de orde. Het is natuurlijk een prachtige kans om tijdens een periode waarin hulp wordt geboden aan naasten die die hulp nodig hebben, ook zelf een andere cultuur te leren kennen en een mooie reis te maken. Het lijkt me in ieder geval terecht dat deze dubbelheid van geven en ontvangen ook eerlijk erkend wordt. Hulpverlenen is meestal niet alleen geven, maar ook ontvangen. Bedoeld of onbedoeld. De organisatie DJW (Dienstverlening Jongeren Wereldwijd)  heeft haar naam daarom mijn inziens terecht veranderd in Serve and Travel. Wie uitdeelt, mag ook zelf iets ontvangen. Een mooie ervaring, een gevoel van voldoening.

 

Hulp ontvangen

Maar hoe zit het als je echt hulpbehoevend bent? Als je aangewezen bent op hulp van anderen? Het is voor veel mensen heel moeilijk om hulp te ontvangen, en al helemaal om hulp te vragen. Voor veel mensen geldt dat ze het gevoel hebben dat ze falen als ze hun zaken niet meer zelf kunnen regelen, dat ze anderen tot last zijn als ze hulp nodig hebben. Het gevoel afhankelijk te zijn van de welwillendheid van anderen is voor veel mensen bijna onoverkomelijk. Bovendien hebben velen ook het idee dat niemand het zo goed kan als zij zelf. En laten we eerlijk zijn: hoe zou het voor u zijn als u in de bloei van uw leven plotsklaps ernstig ziek werd, bedlegerig en tot in de meest intieme zorg afhankelijk van anderen? Ik kom door mijn werk geregeld in aanraking met mensen die dat overkomt en ik hoor heel vaak, dat dat het moeilijkste van alles is: afhankelijk te zijn van anderen. Ook als het over financiële nood gaat, geldt dat. Ik hoor niet veel getuigenissen van mensen die er vrijmoedig voor uitkomen dat ze aangewezen zijn op de voedselbank, of die uit zichzelf de diaconie bellen als ze de eindjes niet meer aan elkaar kunnen knopen. Iedereen wil toch het liefst zijn eigen broek ophouden.

Ik kan me vergissen, maar ik merk niet dat daarin veel verschil is tussen christenen en niet-christenen. Ook in de kerk zijn veel geluiden, soms zelfs geklaag, te horen van broeders en zusters die het zo moeilijk vinden dat ze hulp nodig hebben. Ouderen bijvoorbeeld kunnen er tegenaan lopen dat ze niet alles meer voor elkaar krijgen wat vroeger wel lukte, maar kunnen het zo moeilijk uit handen geven. Dat is enerzijds begrijpelijk. De confrontatie met de gebrokenheid en de eindigheid van het leven doet pijn. Dat is verdrietig. Maar er is meer te zeggen. Hopelijk mag dwars door die pijn heen ook gepraktiseerd worden wat we geloven. In de kerk belijden we elke week opnieuw, dat onze hulp in de Naam van de Heere is, Die hemel en aarde gemaakt heeft. Daarmee belijden we dat we allemaal, gezond of ziek, met een gevulde of een lege portemonnee, hulpbehoevend zijn. Ieder van ons is aangewezen op de hulp van de Allerhoogste. We mogen leven van Gods genade. Die genade gaat ver uit boven alles wat we hier op aarde nodig hebben. Gods genade is voor tijd en eeuwigheid genoeg. Het kan daarom denk ik niet zo zijn dat we vrijmoedig de hulp van die grote God aanvaarden en maar met moeite hulp aanvaarden van mensen, die niet in de schaduw kunnen staan van die eeuwige God. Natuurlijk, hulp van mensen is ook hulp in de gebrokenheid van deze bedeling. Met lek en gebrek. Maar we mogen die hulp ook zien als de handen van God, als de manier waarop God ons te hulp komt in soms heel gewone dingen. We hebben niet gefaald als we hulp nodig hebben. We geven onze onafhankelijkheid niet op. Dat hebben we allang gedaan als het goed is. We zijn niet van onszelf. Met de Heidelberger Catechismus belijden we dat we van onze Zaligmaker Jezus Christus zijn. In alles en altijd zijn we op Hem aangewezen. Hoe erg kan het dan zijn om hulp van medemensen te aanvaarden?

Hoop

Het is daarom een mooi thema voor de hulpverleningszondag: Ik breng je Hoop. Zo komt hulpverlenen in eeuwigheidsperspectief te staan. Omdat we geloven dat we allemaal hulpbehoevend zijn en mogen leven van de hoop die de levende Heiland geeft, Hoop die ver uitstijgt boven aardse behoeften en noden, mogen we uitdelen van wat we ontvangen hebben. In de wetenschap dat het ten diepste genade is om te kunnen uitdelen en zo de hand van God in deze wereld te mogen zijn. Daarom hoeven we ons ook niet mislukt en afgeschreven te voelen als we soms, of misschien wel altijd, afhankelijk van andere mensen zijn. Die ander is immers, net als ik, ook aangewezen op hulp? Hulp van een almachtige God, die ons in Christus voor eeuwig Hoop geeft. Daar gaat het ten diepste om, dat je weet dat je zalig bent als je Jakobs God tot hulp hebt (vgl. Psalm 146). Wie dat gelooft, wordt zelf een levende hoop (1 Petr. 1: 3). Zo mogen we hoopvol uitdelen én ontvangen. In de wetenschap dat, hoe moeilijk een situatie misschien ook kan zijn, er toch altijd hoop is.

Atie Peet is lid van de redactie