127e jaargang, 31 augustus, nr.18

Kerken van gereformeerde signatuur hebben zich altijd sterk gemaakt voor een kerk van belijdende leden, als reactie op de toenmalige Nederlands Hervormde Kerk, die meer het karakter van een volkskerk had. Er werd voor gepleit om geloofsbelijdenis en kerk-zijn sterk aan elkaar te verbinden. Dat is goed en dat is mooi. Maar is er wellicht ook een schaduwkant?

In de Nederlandse samenleving wordt op veel fronten zichtbaar dat de klassieke zuilen dreigen te verdwijnen: het lidmaatschap van politieke verenigingen, omroepverenigingen, schoolverenigingen en sportclubs is veel minder vanzelfsprekend geworden. Daar bovenop wordt er veel meer buiten de eigen zuil ‘geshopt’. De bekende doorbraak waarin christenen zich niet langer aansloten bij een christelijke politieke partij, maar bij de Partij van de Arbeid, was daarvan een voorbode. Tegenwoordig stemmen christenen op heel veel verschillende partijen, lezen een breed spectrum aan (digitale) kranten en andere tijdschriften en ontwikkelen zich in rap tempo tot mondiale burgers.

Alles is vloeibaar
De vorig jaar overleden hoogleraar sociologie Zygmunt Bauman heeft de jongere generatie (ook wel aangeduid als milennials, ruwweg tussen de jaren 1980 en 2000 geboren) aangeduid als de ‘vloeibare generatie’ 1). En hoewel het een moeilijk beet te pakken begrip blijft, geeft het gevoelsmatig goed weer welke ontwikkelingen gaande zijn. De jongere generatie bindt zich niet aan één bepaalde structuur. Relaties wisselen sneller dan voorheen. Wat nu ‘in’ of ‘hot’ is kan over vier jaar weer passé zijn. Vriendschappen worden snel afgesloten en ook weer bijna even snel beëindigd. Relaties, werk, reizen, wonen: alles beweegt, alles wordt vloeibaar.

Midden in deze maatschappelijke ontwikkelingen houden gereformeerde kerken vast aan een eeuwenoud organisatiemodel. Je wordt lid van de kerk nadat je je geloof hebt beleden en daarmee hoor je er voor de volle honderd procent bij. Of je wordt geen belijdend lid en dan hoor je er ook maar half of nog minder bij. Ergens tussen de 18 en de 25 jaar kom je tot het belijden van je geloof. Dat dit gebeurt, is ieder jaar weer een wonder. Menig kerkenraad mag daarin zien dat de Heilige Geest werkt. Het kan je als ouders ontroeren dat ze jouw spoor willen volgen. Er zijn helaas ook jongeren die er bewust voor kiezen het evangelie en God zelf de rug toe te keren. Maar daar tussenin bevindt zich een grote categorie die niet kiest en dan gemakkelijk tussen ‘wal en schip’ geraakt.

Want als je de stap naar geloofsbelijdenis (nog) niet kunt zetten, is er dan wel toekomst voor jou in de kerk? Raak je niet snel in een isolement en kom je dan via een neerwaartse spiraal niet aan de rand van de kerk te staan? Je vroegere vrienden sluiten zich aan bij een Bijbelstudiegroep van oud-catechisanten, maar daarvoor schat je jezelf te licht in. Al je vriendinnen vinden een partner en stichten een gezin. Jij vervolgt alleen je weg. De band met de kerk wordt ieder jaar slapper en na verloop van tijd kun je het niet meer opbrengen om de kerkdiensten te bezoeken. Je voelde je ook al lang als een kat in een vreemd pakhuis.

Belijdenis op maat
En als dat dan niet gebeurt, maar je de 50 gepasseerd bent en belijdenis van het geloof af zou willen leggen, is daarvoor dan wel ruimte? Zouden we door dit de normale weg te vinden, misschien onnodige drempels opwerpen? En wat te doen als in onze gemeente een asielzoeker neerstrijkt die te kennen geeft het avondmaal te willen vieren, maar geen aantoonbare attestatie kan overleggen? Verwijzen we die naar de catechese van het komende seizoen of bieden we die een ander traject op maat aan? Het zou toch mogelijk moeten zijn om op zaterdagavond je geloof te belijden en zondag het avondmaal mee te vieren? Trok de Here Jezus er ook altijd een jaar voor uit om mensen als gelovige tegemoet te treden? Het is goed om geloofszaken te laten overwinteren en de kans te geven te rijpen, maar jonge plantjes kunnen zodoende ook doodvriezen.

Met verwijzing naar de hierboven gegeven typering van de ‘vloeibare generatie’ sluit ik ook niet uit dat jongeren meer dan vroeger geremd worden om hun geloof in een gemeente te belijden, omdat ze nog zoekende zijn naar hun bestemming en het minder in hun genen zit om zich aan een organisatie of instituut te binden. Ze weten niet of ze over een jaar nog in Nederland zullen wonen en werken. Dan ligt het voor de hand om de beslissing om belijdenis te doen nog wat uit te stellen. En van uitstel komt …

Daarnaast zie ik dat kerkenraden van krimpende kerken in de verleiding komen om de kwetsbare, dunne draad met randleden door te knippen. De financiële afdracht aan het landelijke verband, voor (doop)leden die financieel niet bijdragen, voelt als een blok aan het been. Als voor het derde jaar op rij een gat in de begroting dreigt, kan het aantrekkelijk zijn om afscheid te nemen van deze ‘kostenpost’. Ook al is de crisis voorbij: ‘we moeten nog steeds op de kleintjes letten’.

Op de kleintjes letten
Als iemand heeft opgeroepen om ‘op de kleintjes te letten’ is het onze Here Jezus wel. Er zijn nogal wat gelijkenissen die gaan over het zoeken van wat verloren is gegaan of dreigt te gaan: schapen, muntjes, zonen. En als de discipelen druk zijn met de vraag wie van hen de belangrijkste in het koninkrijk der hemelen is, zet Jezus als reactie een kind in hun midden en roept hen op als een kind te worden (Mat. 18: 1-5). Om vervolgens in één adem zijn discipelen te waarschuwen geen struikelblok te worden voor de kleinen die in Hem geloven: “Maar wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, doet struikelen, het zou beter voor hem geweest zijn dat een molensteen aan zijn hals gehangen was en hij in de diepte van de zee gezonken was.” (Mat. 18: 6-9).

Aandacht voor kern en rand
Het is een zegen dat rond de Afscheiding van 1834 nieuwe focus is gekomen op de band tussen geloofsbelijdenis en kerk-zijn. De schaduwkant hiervan is dat we daardoor het zicht op de rand wat verloren zijn. Als illustratie van wat ik bedoel wijs ik op het feit dat in veel gereformeerde kerken het aantal doopleden van 40 jaar of ouder op één hand te tellen valt. Is het verdwijnen van deze categorie altijd te relateren aan een bewuste keuze, of is de kerkelijke gemeenschap voor deze ‘kleinen’ een struikelblok geworden?

Het is een zegen als jongeren zich langs de weg van belijdenis voegen bij de kern van de gemeente. Het is de roeping van de kerk er alles aan te doen dat dit jaar na jaar gebeurt. Maar het is ook een zegen als de gemeente zuinig op haar rand is en er veel aan doet dat deze aan de buitenkant niet afbrokkelt. Want ook in de rand kan en zal door Gods Geest gewerkt worden!

J.A. Voorthuijzen maakt deel uit van de redactie.

– – –
Voetnoot

  • Thomas Leoncini en Zygmunt Bauman, De vloeibare generatie. Over veranderingen in het derde millennium, Uitgeverij Klement, Utrecht, 2018.
  • Yvonne Zonderop, Over de verrassende comeback van religie, Prometheus, Amsterdam, 2018.