128e jaargang, 2 augustus nr.16

Nu de vakantietijd is aangebroken, regent het gratis adviezen om goed voor jezelf te zorgen: smeer je goed in tegen de zon; rijd niet te hard op de Duitse Autobahn; neem tabletten tegen malaria mee; drink niet teveel alcohol. Lief bedoeld, maar er ontbreekt in deze rij een goede raad die van levensbelang is…

Die goede raad heeft alles te maken met het zorgen voor onze ziel. Dat is iedere dag van belang, maar in de zomer misschien nog wel meer dan in de winter. Wie aan zielzorg denkt, denkt bijna automatisch aan pastoraat. En wie aan pastoraat denkt, denkt bijna vanzelf aan mensen die hiervoor een bijzonder ambt hebben ontvangen: ouderlingen, predikanten en diakenen; of aan pastorale werkers in kerk en verpleeghuis. Waar we bij zielzorg de neiging hebben om het aan anderen over te laten, zijn de rollen bij de lichamelijke verzorging precies omgekeerd. Voor ons lichaam zorgen we het liefst zo lang mogelijk zelf. Hebben wij dat verlangen ook als het om de zorg voor onze ziel gaat? En hoe doe je dat dan?

Lichaam en ziel
Als ik dit zo schrijf, komt bij mij de vraag op, waar de ziel begint en eindigt, en hoe deze zich verhoudt tot lichaam en geest van de mens. Opmerkelijk genoeg zijn dit vragen die de mens al duizenden jaren met zich meetorst. Het antwoord is blijkbaar niet eenvoudig. Het was voor de Noorse Ole Martin Høystad zelfs aanleiding er een lijvig boek over te schrijven1). Ook in de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek wordt erbij stilgestaan2). Hierin pleiten de auteurs ervoor lichaam en ziel niet te zien als twee scheidbare onderdelen van de mens, maar als een twee-eenheid: geen dualisme, maar wel dualiteit. Een vergelijkbaar pleidooi valt te lezen bij J.M. Burger in Radix onder de titel: Mens in Christus, lichaam, ziel en geest 3). Hij merkt op: “Het Oude Testament is geschreven in het Hebreeuws, het Nieuwe Testament in het Grieks – twee talen met elk hun eigen mogelijkheden en hun eigen woordenschat. Woorden die het Oude Testament gebruikt om de mens ter sprake te brengen zijn: basjar (vlees), leb (hart), nèfèsj (adem, leven, verlangen, ziel) en ruach (wind, adem, geest). Het Griekstalige jodendom heeft de Hebreeuwse geschriften in het Grieks vertaald. De joodse wereld van het Hebreeuws kwam in de hellenistische wereld terecht. Joodse teksten werden vertaald in het Grieks, en daarmee werden ook de genoemde woorden, gebruikt om aan jezelf te refereren, vertaald. Basjar werd sarx, vlees. Leb wordt kardia, hart. Nèfèsj werd psuchè, het Griekse woord voor ziel dat al verbonden was geraakt met allerlei platoonse ideeën: de ziel zou onsterfelijk zijn, hoger dan het materiële lichaam, en in het lichaam opgesloten zitten. Ruach werd pneuma, geest. En er kwam een nieuw woord bij dat in het Hebreeuws niet voorkomt: sooma, lichaam”.

Geen dualisme, wel dualiteit
Uit de opsomming van begrippen die Burger geeft – en die dus over een periode van vele eeuwen, vanuit verschillende culturen in Gods Woord een plaats hebben gekregen – valt af te leiden dat de vraag, waar het lichaam eindigt en de ziel begint, niet eenvoudig te beantwoorden is. Wie de Bijbel zorgvuldig leest, zal ontdekken dat het Woord van God steeds de eenheid en de heelheid van ons mensen voor ogen heeft. Ook de Heidelbergse Catechismus leert mij al direct in het eerste antwoord te zeggen dat mijn troost in leven en sterven is, dat ik met lichaam én ziel het eigendom van Jezus Christus ben. Deze verbinding tussen en waardering voor lichaam én ziel is niet van alle tijden en alle culturen. Al in de periode van de evangeliën waren er filosofische en religieuze stromingen, waaronder het gnosticisme, die het lichaam van veel minder waarde achten dan de ziel: “De eeuwen door is het gnosticisme een levensgrote bedreiging voor de kerk geweest. Moeten we misschien zeggen dat het gnosticisme wel is afgewezen, maar dat het via de achterdeur (…) een onderwaardering van lichaam en stof, toch invloed heeft uitgeoefend?” 2)

Lichaam of ziel
Waar in kerk en religie het gevaar bestaat voor een onderwaardering van het lichaam en een overwaardering van de ziel, zien we in de huidige samenleving een sterk omgekeerde beweging. Niet de filosoof of de grote denker wordt door het publiek op handen gedragen, maar de man of vrouw met het mooist gevormde lichaam. Hoe de kerk ook spreekt en preekt, in een dergelijk klimaat dreigt de ziel snel verwaarloosd te worden. Om daar weerstand aan te bieden, is het voor ons christenen hard nodig elkaar blijvend aan te sporen goed voor onze zielen te zorgen. Met alle aandacht die Jezus ook voor de lichamelijke kant van het leven had – Hij maakte wijn, genas zieken, wekte doden op – is Zijn oproep om vooral voor de ziel te zorgen: ‘Want wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij en om het Evangelie, die zal het behouden. Want wat zal het een mens baten als hij heel de wereld wint en aan zijn ziel schade lijdt? Of wat zal een mens geven als losprijs voor zijn ziel?’ (Marc. 8: 35–37).

Voor goede zielzorg zijn de samenkomsten van de gemeente van cruciaal belang, maar daar houdt het niet op. Wij hebben de verantwoordelijkheid zelf voor onze ziel te zorgen en in dat verband regelmatig met onze ziel in gesprek te gaan. Hoewel vertrouwd met de Bijbelse oproep tot zelfonderzoek, zoals die ook rond de viering van sacrament en geloofsbelijdenis benadrukt wordt, lijkt het zelfgesprek onder protestanten geen veelvoorkomend verschijnsel te zijn. Al te snel bekruipt ons het gevoel dat het geloof dan te zweverig, te piëtistisch of misschien zelfs wel narcistisch wordt. Meditatie besteden we liever uit aan aanhangers van oosterse religies en protestantse voorgangers… Maar, hebben wij in onze drukke, jachtige 7×24-uurs economie, niet juist meer tijd nodig voor meditatieve momenten? Is huiver voor teveel bevinding wel terecht? Zou in de vakantieperiode niet vaker de vraag moeten klinken: ‘ziel, hoe is het nu met je’?

Psalmen en de ziel
Wie bovenstaande wat vreemd in de oren klinkt, wijs ik op de Psalmen. Het woord ziel komt 654 keer voor in het Oude Testament (HSV), waarvan 120 keer in het boek van de Psalmen. Wie let op de berijmde en onberijmde teksten daarvan zal ontdekken dat hierin de zanger vaak al zingend met de eigen ziel in gesprek gaat. Ter illustratie daarvan een viertal voorbeelden: “O mijn ziel, wat buigt gij u neder” (Ps. 42,OB), “Wees stil, mijn ziel, tot God uw Heer” (Ps. 62:4, NB), “En gij mijn ziel, loof gij Hem bovenal” (Ps. 103:11, OB), “Ziel, gij zijt geboren tot zingen voor den HEER uw God” (Ps. 146:1, NB). Het is dus voluit Bijbels om de Psalmen na te spreken en met onze ziel een goed geestelijk gesprek aan te gaan. Het kan verrijkend zijn, om juist in de jaarlijkse topperiode van recreatie, hier tijd en ruimte voor te nemen.

Zing, mijn ziel!
Zing van je verdriet en je blijdschap! Zing van je zorgen en je moeiten. Zing met die oude psalmen mee, want dat bewaart je voor ongeestelijke dwalingen. En schaam je er niet voor, want het is zonder twijfel het best verkochte ‘Soulalbum’ ooit. Zing op een fietsrondje langs de hunebedden, of luierend in een duinpan aan het Zeeuwse strand. Zing flanerend aan de Franse Riviera of picknickend op een Tiroler alm. En als je je voor de omgeving af wilt zonderen of ermee verlegen voelt: doe je doppen in. Maar zing vooral, tot je ziel en met je ziel. Ook met je lichaam, uiteraard!

  1. De ziel, een cultuurgeschiedenis, Ole Martin Høystad. Uitgeverij Athenaeum, Amsterdam 2018. 528 blz.
  2. Beknopte Gereformeerde Dogmatiek, J. van Genderen en W.H. Velema, Uitgeverij Kok Kampen, 1992, blz. 321 – 330.
  3. Mens in Christus: lichaam, ziel en geest, J.M. Burger, Radix, 1 september 2004, pp. 109 - 122. Ook te lezen via Digibron: https://www.digibron.nl/search/detail/013099192aa5fea7da1586b9/mens-in-christus-lichaam-ziel-en-geest

 

J.A. Voorthuijzen maakt deel uit van de redactie.