127e jaargang, 30 maart, nr.7

Ook voor wie niet zo van kerkgeschiedenis houdt, is de Vroege Kerk (ca. 33-500) een leerzame periode. Het is de tijd van martelaren zoals Polycarpus en Perpetua. Van verdedigers van het christelijk geloof zoals Justinus en Tertullianus. Van diepe denkers zoals Basilius en Gregorius. Van eerbiedwaardige kerkvaders zoals Cyprianus en Augustinus.

De laatste tijd staat de Vroege Kerk volop in de belangstelling. Dat is niet alleen omdat veel mensen terug willen naar de bronnen van theologie en christendom. Maar ook omdat de positie van christenen in Europa steeds meer lijkt op de positie van de eerste christenen. Zij vormen steeds vaker een minderheid die lang niet altijd begrepen wordt. Toen ik vorig jaar op verschillende plaatsen een cursus gaf over vreemdelingschap in de Vroege Kerk, werd me duidelijk dat die positie van onbegrepen minderheid op diverse plaatsen in ons land de praktijk is. Het betekent wel dat christenen steeds vaker geroepen worden hun geloof en leven uit te leggen. Net als de eerste christenen.

Athenagoras
In dit artikel luister ik met u naar een van die eerste christenen: Athenagoras. Hij behoort tot de zogenaamde apologeten, de verdedigers van het christelijk geloof. Athenagoras leefde in de tweede helft van de tweede eeuw in Athene. Hij groeide op in een heidens gezin en kwam op latere leeftijd tot bekering. Vanaf dat moment stelde hij zijn intellectuele gaven in dienst van het christelijk geloof.

Twee boeken van hem zijn bewaard gebleven. Zijn eerste boek is getiteld ‘Smeekschrift voor de christenen’. In dit boekje verdedigt hij de christenen tegen drie onterechte beschuldigingen (atheïsme, het doden van kinderen, incestueuze verhoudingen). Athenagoras maakt meteen van de gelegenheid gebruik om ook een positieve uiteenzetting te geven van het christelijk geloof. En hij slingert de beschuldigingen terug in de richting van zijn heidense medeburgers. Bijvoorbeeld als hij over de abortuspraktijk, die er ook in het oude Rome al was (!), schrijft: ‘En wij … verklaren dat de vrouwen die middelen gebruiken om abortus te plegen een moord op hun geweten hebben en aan God voor een afdrijving verantwoording schuldig zullen zijn … Het ongeboren kind is al een levend wezen en Gods zorg gaat er al naar uit’.

Athenagoras’ tweede boek draagt de titel ‘De opstanding van de doden’. In dit boekje verdedigt Athenagoras de opstanding van het lichaam. Het is de eerste verhandeling in de kerkgeschiedenis die specifiek aan dit onderwerp gewijd is. De tijd waarin Athenagoras dit boekje schrijft, werpt nog wat meer licht op zijn bedoelingen. Enerzijds is dat de periode van christenvervolgingen. In een tijd dat christenen zomaar kunnen worden onthoofd of voor de wilde dieren worden geworpen, vormt het leerstuk van de opstanding der doden een bron van troost. Anderzijds is de tijd van Athenagoras ook een periode waarin de gnostiek haar duizenden verslaat. De gnostiek is een dwaling, soms ook gehuld in een schijnbaar christelijk gewaad, waarbij het lichamelijke ondergewaardeerd wordt, en de vleeswording van Christus en de opstanding van het lichaam ontkend worden.

God kan en wil de doden opwekken
Wat is de inhoud van Athenagoras’ boekje over de opstanding? De schrijver noemt drie argumenten die zijn lezers ervan moeten overtuigen, dat God de doden op de dag van de wederkomst echt zal opwekken.

  1. Zijn eerste argument is: God kan de doden opwekken. Hij is ertoe in staat. Daarvoor argumenteert Athenagoras allereerst vanuit de schepping. God heeft het menselijk lichaam Zelf geschapen. Als Hij dat kan, is Hij ook in staat om lichamen uit het stof op te wekken. Daar voegt Athenagoras nog een reden aan toe. God is namelijk ook alwetend. Hij weet precies hoe de mensen eruit gezien hebben en wat de eigenschappen van hun lichaam waren. Omdat Hij dat niet vergeet, maakt het feit dat mensen tot stof vergaan en niets van hun uiterlijke verschijning bewaard blijft, de opstanding evenmin onmogelijk.
  2. In de tweede plaats betoogt Athenagoras dat God de doden ook wil opwekken. Zijn redenering is in dit verband als volgt: God wil alleen wat niet onrechtvaardig is, én wat niet onwaardig is voor Hem. Die stelling wordt op twee manieren uitgewerkt. Om te beginnen wil God de doden opwekken, omdat dit tegenover de mensen niet onrechtvaardig is. Daarnaast is de opwekking van de doden voor God ook niet onwaardig. Het is immers ook niet onwaardig voor Hem geweest om het menselijk lichaam te scheppen.

God ‘moet’ de doden opwekken
Nadat Athenagoras zo heeft betoogd dat God de doden kan en wil opwekken, volgt het tweede hoofddeel van zijn boekje. Daarin laat hij zien, dat God de doden in zekere zin ook moet opwekken. Hij draagt daarvoor drie gezichtspunten aan.

  1. Het eerste gezichtspunt wordt gevormd door de schepping van de mens. God heeft de mens geschapen met het doel dat de mens zou leven, en dat hij Gods goedheid en wijsheid zou bewonderen. Aan dat voorgenomen doel zal de dood geen definitief einde maken. God zal Zijn kinderen lichamelijk laten opstaan, opdat ze voor eeuwig zullen leven en Zijn goedheid en wijsheid zullen eren.
  2. Het tweede gezichtspunt is de natuur van de mens. De mens is namelijk een eenheid van ziel en lichaam. De dood is gewelddadige scheiding van die twee. Vanuit de natuur van de mens is het nodig dat ziel en lichaam weer met elkaar verenigd worden.
  3. Het laatste argument van Athenagoras is, dat het laatste oordeel vereist, dat de doden opgewekt worden. De hele mens – met ziel en lichaam – moet namelijk geoordeeld worden en daarna straf of ‘loon’ ontvangen.

Voor wie heeft Athenagoras zijn argumenten op een rij gezet? Omdat hij angstvallig iedere expliciete verwijzing naar de Bijbel achterwege laat, lijkt het erop dat hij zich vooral richt op niet-christenen. Maar dan toch wel mensen die geloven in een God Die alles geschapen heeft en alles kan en weet. Ongetwijfeld zal zijn betoog ook (twijfelende) christenen hebben aangesproken.

Meer te zeggen
Intussen  is er natuurlijk nog heel wat meer te zeggen over de opstanding. Tevergeefs zoekt u in Athenagoras’ bijdrage naar expliciete verwijzingen naar de Schrift. Bovendien benadrukt Athenagoras vooral de waarheid van de opstanding der doden. Maar we zullen er goed aan doen om ook na te denken over de troost en de ernst van dit leerstuk.

Aan de ene kant bevat de opstanding der doden een boodschap van diepe en rijke troost voor hen die door Gods genade het eigendom van Christus werden. Gods kinderen mogen weten, dat niet alleen hun ziel na hun sterven ‘van stonden aan’ met Christus zal zijn. Maar ook dat hun lichaam eens in heerlijkheid zal worden opgewekt en dat ze ‘vanuit hun vlees’ God zullen aanschouwen. Job heeft daar vol heimwee naar uitgezien.

Maar er is ook een andere kant. De Heere Jezus heeft indringend gesproken over een tweeërlei opstanding. Naast de opstanding tot heerlijkheid is er ook een opstanding tot verdoemenis. Vele eeuwen na Athenagoras heeft bijvoorbeeld Thomas Boston, in zijn Viervoudige staat, heel indringend over deze dingen geschreven. Tegen de achtergrond van de tweeërlei opstanding dringt de vraag: Hoe zal uw en mijn opstanding zijn?

Terugblik
Intussen is het leerzaam om ook naar een schrijver als Athenagoras te luisteren. Niet alleen omdat zijn bezinning op dit onderwerp fundamenteel is geweest voor de kerk der eeuwen. Maar ook vanwege de manier waarop Athenagoras zijn positie bepaalde in het Athene van zijn dagen. Eerlijk en lang heeft hij geluisterd naar zijn opponenten. Lang heeft hij nagedacht over wat de Bijbel leert over Gods eigenschappen en over de laatste opstanding. Wat hij vervolgens publiceert, is een uiteenzetting waarin hij de waarheid van de lichamelijke opstanding verdedigt. Gedreven door het verlangen om aan zijn tijdgenoten verantwoording af te leggen van de hoop die in hem is. Zijn overwegingen kunnen christenen vandaag nog altijd van dienst zijn.  Juist als het opstandingsgeloof aangevochten of betwijfeld wordt.

Beide boeken van Athenagoras verschenen ook in Nederlandse vertaling: G.J.M. Bartelink, Twee apologeten uit het vroege Christendom: Justinus en Athenagoras, Kampen 1986, 103-163 [Smeekschrift], en Jacob van Beek, Athenagoras’ geschrift De resurrectione mortuorum, (diss. Leiden), Leiden 1908 [Opstanding]. Een goede introductie op de tijd van Athenagoras is (behoudens de gedeelten over het Nieuwe Testament) Eginhard Meijering, Geschiedenis van het vroege Christendom, Amsterdam 2004.

Ds. A.J.T. Ruis is predikant van de Jeruzalemkerk te Rotterdam-Kralingen