128e jaargang, 8 november nr.23

Bijgestelde verwachtingen
De doopbediening aan een kind heeft iets vertederends. De ouders staan daar met het kind in de armen en beloven het naar hun vermogen te onderwijzen en te doen onderwijzen in de waarheid van God en het een voorbeeld van een christelijke levenswandel te geven. En dan volgt de doop zelf: God de Vader belooft dat Hij voor dit kind wil zorgen en eeuwig met hem of haar verbonden wil zijn; de Zoon belooft afwassing van zonden en een delen in Zijn opstanding; de Geest belooft dat Hij ook in dit kind wil wonen en werken en het wil verbinden aan Christus en zo doet delen in het heil. Uit dit alles spreekt de hoop en verwachting dat dit kind, wanneer het groot geworden is, de weg van de Here zal gaan en Hem zal belijden als Here.

Als dan zo’n twintig jaar later de weg heel anders blijkt te gaan, is er teleurstelling bij de ouders. Teleurstelling dat het kind niet voor de Here gekozen heeft, maar ook teleurstelling dat de Here dit kind niet in het hart geraakt heeft en het tot bekering gebracht heeft. In het eerste artikel heb ik aangegeven dat het geloof niet te geef is door mensen, wel door God, want het geloof is een gave van God (Efeze 2: 8).

Hoe zit dat nu als je kind niet gelooft? Waarom doet de Here niet wat Hij belooft? Door deze zaken kun je als ouder in een geloofscrisis belanden. Er kan verbittering optreden.

Een geloofscrisis kan ieder gelovige overkomen. In de Bijbel staat het voorbeeld van Johannes de Doper. Je kunt het lezen in Mattheüs 11: 1-6. Johannes was ervan overtuigd dat in de komst van Jezus het Koninkrijk van God zou doorbreken. Jezus zou schoon schip gaan maken in het land vol onrecht. Maar als Johannes een half jaar nadat hij begon te prediken wordt gevangengenomen door koning Herodes, begrijpt hij het niet meer. Zijn verwachtingen komen totaal niet overeen met de werkelijkheid. Is Jezus wel echt de Christus? Deze vraag laat Johannes door twee van zijn discipelen aan Jezus stellen. Het antwoord is een verwijzing naar de profetieën van Jesaja: Blinden worden ziende, kreupelen kunnen lopen … en aan armen wordt het Evangelie verkondigd. Jezus maakt het allemaal waar, maar wat niet genoemd wordt – terwijl Jesaja daar ook over profeteert – is dat de wraak zal komen, de vergelding van God. Hij zal komen en verlossen (Jes. 35: 4). Daar merkte Johannes juist niets van. En, zegt Jezus: ‘Zalig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt.’ De Here doet de dingen op Zijn wijze en op Zijn tijd en dat kan zomaar anders zijn dan wat wij voor ogen hebben. Je kunt je eraan gaan ergeren en er aanstoot aan nemen. De Here roept ons op om Hem te vertrouwen en het laten komen van het heil aan Hem over te laten. Hij weet wat Hij doet. Dat geldt ook wanneer een kind een andere weg gaat. Durf het aan de Here over te laten.

Eeuwig verloren?
Zeker, dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Ik weet dat er ouders zijn die worstelen met de vraag: wat gebeurt er met mijn kind als het ongelovig sterft? Dan gaat het voor eeuwig verloren. Toen ik een keer met een ouder sprak over zijn ongelovige kinderen, zei hij: “Ik denk er maar niet te diep over na dat ze verloren gaan, want dan wordt het ondraaglijk.” In eerste instantie vond ik het een vorm van je ogen sluiten voor de werkelijkheid, maar in tweede instantie vond ik het een wijze manier van omgaan met deze vragen. Ook hierin wijst de Bijbel ons een weg. In Lukas 13:23 vraagt iemand aan Jezus: ‘Heere, zijn het weinigen, die zalig worden?’ Dan antwoordt Jezus: ‘Strijd om binnen te gaan door de nauwe poort, want velen, zeg Ik u, zullen proberen binnen te gaan en het niet kunnen.’ Feitelijk zegt Jezus dat je vooral aan jezelf moet denken. Die ander, laat dat maar aan Mij over. Ieder moet voor zichzelf verantwoording afleggen, dat kan en hoef ik niet voor mijn kind te doen. Het gaat erom dat ik de Here blijf vertrouwen in alles wat Hij zegt en doet.

In nog een Schriftgedeelte komt dit duidelijk naar voren, Johannes 14: 22: ‘Judas, niet de Iskariot, zei tegen Jezus: Heere, hoe komt het dat U Zichzelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?’ In het antwoord gaat de Here Jezus niet direct in op de vraag, maar doet hij een appel op de vraagsteller: ‘Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord in acht nemen; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen naar hem toe komen en bij hem intrek nemen.’ Wat God met de wereld doet, is Zijn zaak. Wij worden opgeroepen om onze eigen verantwoordelijkheid te nemen, en onszelf te onderzoeken hoe wij voor de Here staan. Vertrouw ik Hem, heb ik Hem lief, dan mag ik ook mijn kind dat een andere weg gaat, in Zijn hand leggen.

Ik besef dat het laatste makkelijker gezegd is dan gedaan. Natuurlijk maak je jezelf zorgen over het heil van je kind. Maar zijn heil hangt niet van jou af, want je kunt het geloof niet geven. Het ligt in Gods hand. Juist daarom kun je wel tot Hem blijven bidden en Hem vragen om te doen wat Hij beloofd heeft.

Beloofd is beloofd
Ter bemoediging wijs ik op het koningshuis van David. Zijn nageslacht ging lang niet altijd in de weg die David met de Here gegaan was. Regelmatig lees je dat het hart van de koning de HEERE niet volkomen was toegewijd, zoals het hart van vader David. Maar de Here had een belofte gedaan, dat Hij altijd een nakomeling van David op de troon in Jeruzalem zou laten zitten. Heel mooi klinkt dan in 1 Koningen 15: 4, wanneer er weer een koning is die de Here niet volkomen dient: ‘Maar omwille van David gaf de HEERE, zijn God, hem een lamp in Jeruzalem door na hem zijn zoon te doen opstaan en door Jeruzalem in stand te houden.’ Deze zoon van een ongehoorzame vader was Asa, die ‘deed wat juist was in de ogen van de HEERE, zoals zijn vader David’ (vers 11).

We mogen veel van de Here verwachten. Hij heeft immers veel beloofd in de heilige doop. Nee, de doop is geen garantie dat iemand echt gaat geloven, maar het is ook niet niks. De beloften van God worden immers onderstreept in hun betrouwbaarheid. Zo zeker als de Here Zijn Naam over een kind heeft uitgesproken, zo zeker is ook wat Hij toezegt: Vader zijn, Verlosser zijn, Vernieuwer zijn. En als ik daar 1 Timotheüs 2: 4 bij neem, waar staat dat God, onze Zaligmaker, ‘wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis van de waarheid komen’, dan hebben we veel te verwachten van de Here.

Het gebeurt allemaal wel op zijn tijd. Neem Abraham: toen hij 75 jaar oud was, kreeg hij de belofte dat uit hem een groot volk geboren zou worden. Het heeft nog 25 jaar geduurd voordat de vervulling kwam. Toch bleef met vallen en opstaan de belofte zijn houvast. Zo mag de doop voor ouders een houvast zijn. Leg de beloften die God Zelf gegeven heeft aan je kind maar voor Zijn voeten neer. Here, U hebt beloofd dat U ook zijn hemelse Vader wil zijn; Here Jezus, U hebt beloofd dat U ook zijn zonde wil afwassen en deel wil geven aan eeuwig leven; Heilige Geest, U hebt beloofd dat U ook in dit kind wil wonen en werken en het wil verbinden aan Christus en zo doen delen in het heil; drie-enige God maak het waar!

Laat dit niet alleen het gebed zijn van ouders, maar van heel de gemeente. Leden van de gemeente, oud of jong, die een andere weg gaan, moeten ons aan het hart gaan. Laten we vooral voor ze bidden en als de gelegenheid zich voor doet met ze spreken of in elk geval het leven met de Here voorleven door ze laten zien dat er plek voor hen in ons hart is. Ze gaan zeker ook de Here aan het hart!

Gij zijt geweest, o Heer, en Gij zult wezen
de zekerheid van allen die U vrezen.
Geslachten gaan, geslachten zullen komen:
wij zijn in uw ontferming opgenomen.
Wij mogen bouwen op de vaste grond
van uw beloften en van uw verbond.

Psalm 90: 1 nieuwe berijming