127e jaargang, 9 november, nr.23

‘Kerkverlating’ is een verschijnsel dat zich al heel lang laat gelden en heel veel beroering brengt in de kerk en in harten en levens van mensen. In een drietal artikelen wil ik daarop ingaan. Het eerste artikel is een algemene schets van wat er in een halve eeuw is gebeurd. In het tweede zoom ik in op  wat mensen (ouders, kinderen, grootouders etc.) die heel nabij met kerkverlating te maken hebben, kunnen ervaren. Het laatste zal gaan over de vraag wat we pastoraal in dit opzicht voor elkaar en voor anderen kunnen betekenen.

Om het geheel wat af te bakenen, definieer ik kerkverlating als: het definitief afscheid nemen van de kerkgemeenschap waartoe men behoort, zonder dat daar een andere kerkgemeenschap voor in de plaats komt. Verder zal het niet specifiek over de Chr. Geref. Kerken gaan. Alle kerken hebben ermee te maken.

Een indringende vraag
Kerkverlating maakt verdrietig, kan angst oproepen en kan knagen aan je eigen geloof. Als het maar om een enkeling zou gaan die de kerk de rug toekeert, valt het nog wel mee. Maar het zijn er schrikbarend veel die in de loop van de tijd die stap hebben gezet. En dan hoor ik een indringende vraag van Jezus op me afkomen. Veel leerlingen hadden zich van Hem afgewend en gingen niet langer mee. Aan degenen die nog overgebleven zijn, vraagt Jezus dan: Jullie willen toch ook niet weggaan (Johannes 6: 67)?

Dat is ook een vraag aan mijzelf. Wat houdt mij nog bij de kring die Jezus Christus belijdt als haar Heer? Is het niet zinloos? Is de kerk geen failliete boel? Is het nog wel de moeite waard om je daarmee in te laten? De schrik kan je om het hart slaan bij zulke vragen. Dat zijn crisisvragen. Anders gezegd: dan wordt het geloof zelf op de proef gesteld.

Je kunt die vraag natuurlijk verdringen of niet toelaten. Kerkverlaters zijn dan vooral de anderen die naar onze mening de verkeerde weg inslaan. Hun moet met klem gewezen worden op de ernst van die stap, want ze hebben, naar we vrezen, zich van God los gemaakt. En dat is heilloos.

Toch lijkt het me zinniger om wel open te staan voor deze vraag. Dan is er een kans dat we de kerkverlater aanvoelen in zijn moeiten met kerk en geloof. De moeiten van de ander kunnen zelfs jouw moeiten zijn. Alleen de reactie daarop verschilt. De een blijft, de ander vertrekt. Waarom? Hoe komt dat? Daarover kan dan het gesprek gaan.

Ontwikkelingen in kerk en samenleving
Eind jaren vijftig, begin jaren zestig van de vorige eeuw was er op zondagmorgen nog druk verkeer van mensen die meestal te voet naar de kerk gingen. Een ouder gemeentelid uit Amsterdam vertelde me eens dat het ’s zondagsmorgens in die tijd in de straten nog dreunde van de voetstappen van kerkgangers. De kerk telde volop mee in de samenleving. Met name  de Nederlands Hervormde Kerk liet zich via herderlijke schrijvens regelmatig horen over actuele zaken in de samenleving.

Op theologisch gebied ontstonden er heftige discussies over schepping en evolutie, het gezag en de (historische) betrouwbaarheid van de Schrift. Dit speelde in de Nederlands Hervormde Kerk, later ook in de Gereformeerde Kerken. In de kleinere kerken van gereformeerde signatuur was hiervan (nog) geen sprake. Maar vanaf de zijlijn werd in publicaties en soms ook vanaf de kansel behoorlijk meegedaan met de polemiek. Een breed publiek kwam in aanraking met wat er theologisch speelde.

In die jaren veranderde de samenleving zienderogen. De naoorlogse wederopbouw kwam tot een afronding. De welvaartsstaat diende zich aan. Het dagelijks leven werd door allerlei apparatuur gemakkelijker. Vrije tijd (vrije zaterdag) en mobiliteit namen toe, maar ook spanningen. De jaren zestig staan bekend om de vrijheidsdrang. Studenten roerden zich heftig. De jongerencultuur schuurde soms hevig met de gevestigde orde.  Tegelijk waren er grote spanningen op internationaal niveau. De Koude Oorlog bepaalde voor een groot gedeelte de internationale politiek, met alle spanningen van dien (de bouw van de Berlijnse muur; de Cubacrisis). De Vietnam oorlog zorgde voor tumultueuze demonstraties. Hetzelfde gebeurde later door de (kern)wapenwedloop.

Kerkverlating
Deze context deed wat met mensen, en zeker met jongeren. In heel wat gezinnen is er gestoeid tussen ouders en pubers over kledingstijl, uitgaan, hoe laat je thuis moest zijn, etc., etc. … Er hebben zich op zondagmorgen heel wat drama’s afgespeeld rond kinderen die met moeite uit hun bed kwamen en met frisse tegenzin gedwongen naar de kerk gingen.

Een deel van de kerkverlating toen was het gevolg van een generatieconflict. Maar ook de botsende standpunten over maatschappelijke en politieke kwesties lieten zich gelden in de kerk en hadden hun invloed. Kerkleden gingen over van het ene kerkverband naar het andere uit ontevredenheid over standpunten of gang van zaken binnen de eigen gemeente.

Pijnlijker is het definitieve afscheid nemen van de kerk. Schrijvers als Maarten ’t Hart laten in hun publicaties blijken dat ze het als een bevrijding hebben ervaren om de kerk en het geloof van de kerk de rug toe te keren. Daarbij klagen ze vooral over truttigheid en het sombere mensbeeld dat hun werd voorgeschoteld. Of dat allemaal terecht is, laten we in het midden. Dit beeld bestond blijkbaar.

De laatste jaren komt er nog een fenomeen bij dat kerkverlating in de hand werkt. De talloze gevallen van seksueel misbruik bij minderjarigen door kerkelijke ambtsdragers, vooral in de Rooms-katholieke Kerk, is voor sommigen aanleiding om het kerklidmaatschap op te zeggen. Daarbij wordt het trekken van publieke belangstelling niet geschuwd, gelet op Klaas Dijkhof, fractievoorzitter van de VVD. Volgens het laatste rapport van het CBS rekent minder dan de helft van de Nederlanders zich tot een religieuze groepering.

Verweesd
Het bovenstaande speelde zich allemaal in mijn generatie af. En ook al deed zich dit vooral voor in de Rooms-katholieke Kerk en de kerken die later fuseerden tot de Protestantse Kerk in Nederland, ook de kleine kerken ontkwamen en ontkomen er niet aan.

Af en toe voel ik me verweesd. Van velen met wie ik in de klas heb gezeten op de (toen nog) lagere school en in het voortgezet onderwijs, weet ik, dat ze zijn afgehaakt. Soms beredeneerd en vrij fanatiek, boordevol kritiek. Soms ook geruisloos, zonder directe reden. Het zegt ze allemaal niets meer. Ze hebben dezelfde leefsfeer meegemaakt als ik. Anderen en ik zijn gebleven. Zij niet. Hoe komt dat? Wat zit daarachter? Ik hoor weer die vraag van Jezus: Jullie willen toch ook niet weggaan? Wat houdt me bij de kerk en zo bij Jezus?

Beproeving en uitdaging
Je kunt dit ervaren als een beproeving. Ik noemde al het woord crisis. In de crisis gaat het er vaak heet aan toe (1 Petrus 1: 7 en 4: 12), ‘zoals men erts tot zilver smelt’ (Psalm 66: 3 berijming 1967). Tegelijk mogen we hierbij wel bedenken dat een beproeving Bijbels gezien altijd een positief doel heeft (Rom. 5: 4, 1 Kor. 11: 28, 2 Kor. 8: 2, Jac. 1: 3). Het gaat erom dat we er sterker uit komen. Zo kan kerkverlating als beproeving tegelijk ook een uitdaging zijn. Biedt het nieuwe kansen en mogelijkheden?

Voorzichtig stip ik wat aan. We worden gedwongen om rekenschap te geven van de hoop die in ons is. Die communicatie vraagt om heldere taal en niet om clichés. Een geleerd lesje zonder dat je er zelf bij betrokken bent, wordt haarscherp doorzien. In deze tijd van crisis wordt alle schijn en lege vorm ontmaskerd. Ik vind dat positief.

Het aantal kerkgangers in ons land is in de loop van een halve eeuw dramatisch gedaald, zeker in de Randstad. Maar wie in de Randstad naar de kerk gaat, doet dat meestal als een bewuste keuze. Ook dat vind ik positief.

In de crisis hebben we elkaar nodig. We kunnen het ons niet meer veroorloven om onszelf terug te trekken in onze eigen bastions. Kerkverlating maakt ons ook pijnlijk bewust van de versnippering van Lichaam van Christus in allerlei kerken en kerkjes. Ieder heeft haar eigen nestgeur, cultuur en gewoonten. Dat mag in crisistijd toch geen reden zijn om gescheiden op te trekken?

Er zijn allerlei sporen en bewegingen van toenadering. Gezocht wordt om gestalte te geven aan eenheid in het geloof zoals dat in het Apostolicum is verwoord. Heel bewust wordt daarbij het geloofsgesprek gezocht. Ook dit is een positieve ontwikkeling. In plaats van over de ander te spreken, bestaat er hoe langer hoe meer verlangen om met de ander van hart tot hart te spreken. Wie weet, mondt het uit in het samen met de ander roepen:

O Heer, wees met uw kerk
en laat ons niet vergaan,
maar zend uw kracht
diep in de nacht,
uw kracht om op te staan.

(Liedboek – Zingen en bidden in kerk en huis, 591: 6)

Ds. Jan Groenleer is emerituspredikant te Leiden