127e jaargang, 25 mei, nr.11

Geloven en beloven

Van professor De Vuijst heb ik geleerd dat geloven rijmt op beloven. U begrijpt wel dat dit geen bassischooloefening rijmwoorden betreft, maar een Bijbelse wijsheid. Het is goed daar eens bij stil te staan. Er gaat namelijk heel wat door voor ‘geloven’.  Bewust zeg ik daar niet bij ‘tegenwoordig’. Ik weet namelijk niet of dat vroeger beter was. Want vroeger of later, we zijn allemaal mensen. En het is mensen eigen zelf je geloof te creëren. Vandaag de dag wordt sterk benadrukt dat je geloof jouw geloof, jouw persoonlijke overtuiging, is. Als je 500 jaar geleden aan iemand vroeg wat hij of zij geloofde, kon je het antwoord krijgen: ‘Ik geloof wat de kerk gelooft.’ En wat dat nou precies is, moet je maar aan meneer pastoor vragen. Maar of je nou instemt met wat de kerk gelooft of dat je heel individueel je eigen bouwpakketgeloof in elkaar hebt geknutseld, het is wat jij vindt. Ik vind dat het genoeg is te weten dat de kerk het bij het rechte eind heeft. Ik vind dat ik goed leef en dat het dus wel goed met me komt. Ik vind …

Ook binnen de kerk kun je genoegen nemen met zo’n soort homemade geloof. En dat kan een poos goed gaan, voor je besef. Totdat het niet meer werkt. Totdat dingen in je leven er niet mee kloppen. Totdat blijkt dat God zich er niet aan houdt. En dan geef je God de schuld. God doet niet wat je dacht dat Hij zou doen.

Maar wat geloofde je dan? Op grond waarvan dacht je dat God zou doen wat je dacht dat Hij zou doen? Had Hij dat beloofd of dacht jij dat alleen maar?

Mag ik een paar voorbeelden geven? Je kunt menen dat je in je leven maar een bepaald aantal tegenslagen te verwerken zult krijgen als je geloof. En krijg je er meer, dan snap je het niet meer. Je kunt denken dat het genoeg is je aan bepaalde algemene waarheden te houden en verder leef je je leven. Is dat gemakzucht? Of is het onwetendheid?

Het tij zit ons, wat dat betreft, ook niet mee. Leerlingen leren op school dat het bij het lezen van teksten niet gaat om de bedoeling van de auteur maar om wat jij er zelf in leest. Waarheid is jouw waarheid. Jij bent als lezer autonoom. Een echte luisterhouding wordt zo niet aangeleerd. En ook niet het besef dat een ander jou iets kan vertellen dat jij niet weet. Laat staan dat er een God zou zijn die iets voor jou heeft, dat je niet hebt, maar waar je niet buiten kunt, wil je het echte leven ontvangen.

Maar als die gevende God er nou eens is; als geloven nou eens meer is dan wat ik zelf bij elkaar kan houden met mijn denken, als geloof nou eens niet alleen maar rijmt op beloven, maar zich uitsluitend en helemaal richt op de belofte van God – een belofte aan u, jou persoonlijk van de levende God die niet anders wil dan geven, wat zou dat anders maken in uw leven? Alles misschien.

Je weet dan namelijk precies waar je aan toe bent. Je weet wat je mag geloven. Dat geeft vastheid. Maar wat is dat dan? De Bijbel staat vol met beloften. Maar kun je die dan allemaal op jezelf toepassen?

Het gaat om de belofte in Christus. In Hem is zichtbaar wie God voor ons is en wat Hij ons geven wil. In 2 Kor. 1 : 20 staat het zo: ‘Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: ​Amen, tot eer van God door ons.’ (NBG ’51)

Calvijn schrijft over het geloof in die belofte: Het is ‘een vaste en zekere kennis van Gods welwillendheid jegens ons, welke gegrond op de waarheid van zijn genadige belofte in Christus, door de heilige Geest aan ons verstand wordt geopenbaard en in ons hart wordt verzegeld.’ (Institutie III, II,7)

Geloven is je toevertrouwen aan een persoonlijke God. Geloven betekent dat je ook weet waar je met God aan toe bent. God is geen ‘absolute God’. Hij is (met de woorden van Luther) die God, ‘zoals Hij met zijn Woord en zijn beloften is voorzien en bekleed.’ God is te kennen in zijn Woord. Luther heeft verder ergens geschreven ‘dat God nooit anders met de mensen gehandeld heeft of nog handelt dan door middel van het Woord der belofte. En dat wij nooit anders met God kunnen handelen, dan door het geloof in dit beloftewoord.’ (In: W. van ’t Spijker, Luther. Belofte en ervaring, 141 en 148)

Onder één noemer gebracht: God is mij goed gezind en dat weet ik door de komst van Christus. In Hem komt Hij naar mij toe met zijn beloften. En als ik geloof, vertrouw ik mij daaraan, liever gezegd: aan die God toe. Dat geeft rust. Ook als de dingen anders gaan in mijn leven dan ik gedacht had. Dan heb ik niet maar een motto dat mij op de been houdt. Dan heb ik de belofte van God zelf. Of, zoals een lied het mooi verwoordt: ‘Ik weet aan Wie ik mij vertrouwe, al wisselen ook dag en nacht.’ Dat geeft ruimte. Ruimte in je hoofd. Je hoeft je niet suf te piekeren over je leven, of God jou wel ziet, of alles wel goed komt. God weet het. Het geeft ruimte om je heen. Je mag plek innemen in Gods wereld. Het is weliswaar een wereld die gevallen is, een wereld waarin zoveel tegen Gods wil in gebeurt, maar het is ook de wereld waarvan Jezus heeft gezegd: ‘Ik heb er alle macht.’ En het geeft je de handen vrij om God en je naaste te dienen.

 

Moeite met Bijbel lezen

Vanuit Christus mag je de Bijbel lezen. Vanuit de wetenschap dat God vóór je is. Geloven betekent dan ook dat je de beloften van God wilt aanpakken. Maar dat valt soms niet mee. De Bijbel levert ons namelijk ook problemen op. We komen gedeelten tegen die we niet snappen. Misschien kent u wel de ervaring dat er bij de zoveelste ronde die je door de Bijbel gaat vragen opkomen die je eerder niet had. Er staan moeilijke gedeelten in de Bijbel. Maar waarom vind je ze moeilijk?

We moeten geloven als een kind, zeggen we. En we menen dat dat ook ergens in de Bijbel staat. Maar geloven als een kind betekent niet dat je de moeilijke gedeelten maar laat liggen en bij een minimum aan Bijbel mag blijven staan. Geloven stelt je voor de vraag: ‘Durf je de hele Bijbel aan?’ Heel dat woord van God. Al zijn beloften. Maar ook de moeilijke gedeelten in de Bijbel. Tegelijk is het goed de raad van Luther je ter harte te nemen: als je een Bijbelgedeelte tegenkomt, waar je echt niet uit komt, neem dan je hoed af en loop er omheen, in de hoop op andere tijden. Niet alles begrijpen we meteen.

Misschien zijn we vandaag ongeduldige Bijbellezers geworden. De Bijbel is echter geen instant geloofsboek. U kent wellicht de uitspraak van prof. Peels: ‘Liever langer luisteren.’ Dat geldt vooral waar het gaat om gedeelten in de Bijbel waar wij, twintigste-eeuwse mensen die we zijn, moeite mee hebben.

 

Elkaar helpen

Hoe kun je elkaar helpen bij het omgaan met Gods beloften?

Er zijn er voor wie niet de inhoud van het gelezen maar het lezen zelf een probleem is. Jongeren met dyslexie die examen doen, hebben de mogelijkheid de teksten te beluisteren. Hoeveel jongeren (en ouderen) zouden er niet mee geholpen zijn als hun de Bijbel wordt voorgelezen. Er staan luisterbijbels op internet. Maar je kunt ook samen de Bijbel lezen. In een digitaal tijdperk zou je dat bijna vergeten. Je kunt een ander uit de Bijbel voorlezen. En misschien maakt u het mee dat een ander u voorleest. Omdat uw zicht achteruitgaat. Omdat het lastiger wordt u te concentreren. Bekende gedeelten opnieuw voorlezen. Psalmen voorlezen, voorzingen.

Maar dat niet alleen. Wat is het goed als iemand je een gedeelte uit de Bijbel voorleest. Een oudere broeder, die inmiddels is overleden, vroeg op huisbezoek steevast: ‘Nou, wat heb je voor me?’ Daar denk je van tevoren over na, als ouderling, pastoraal werker, predikant, over wat je uit de Bijbel gaat lezen. Je kunt het ook aan de broeder of zuster vragen. Of je kunt het van de loop van het gesprek laten afhangen. Samen de Bijbel lezen, of eruit voorlezen, is een belangrijk moment tijdens een bezoek. Bijbellezen aan tafel is een belangrijk moment. Gods woorden gaan open. En dan gebeurt er wat.

We zijn als gemeenteleden aan elkaar gegeven, niet in de laatste plaats om met elkaar meer zicht te krijgen op de reikwijdte van Gods beloften. In het volgende artikel wil ik eerst daar nog iets meer over zeggen.

Ds. C. de Jong is predikant te Doetinchem