127e jaargang, 16 februari 2018, nr.4

‘Ik geloof van wel’, zei eens een werknemer. Zijn baas antwoordde: ‘Geloven doe je maar in de kerk, hier moet je het zeker weten.’ Wij gebruiken het woord ‘geloof’ vaak om dingen te zeggen die helemaal niet zo zeker zijn. ‘Ik geloof dat het morgen mooi weer wordt’. Je weet het dus niet zeker. Maar geloof in de Bijbel is juist wel heel zeker. Geloven betekent niet dat je denkt of hoopt of voelt dat het waar is, maar je weet het, je vertrouwt erop, je vertrouwt je eraan toe. Waaraan? Aan wat God zegt. Je stelt je vertrouwen op God Zelf.

Abraham wordt in de Bijbel de ‘vader van alle gelovigen’ genoemd. (Rom. 4: 16) God riep hem en zei hem dat hij op reis moest gaan naar het land dat God hem zou wijzen. Wat is geloof? Gods stem vertrouwen en gehoorzamen. Hij ging niet op goed geluk, maar in geloof.

God beloofde hem een kind, maar wat moest hij er lang op wachten. Geloven is op God vertrouwen juist als je het nog niet ziet, als je nog moet wachten en als het tegen zit. Dat was ook voor Abraham niet gemakkelijk. Maar toch geloofde hij Gods belofte (Gen. 15: 6).

Toen hij eindelijk een zoon gekregen had, moest Abraham hem offeren. Wat!? De beloofde zoon offeren? Hoe kan God dat nu vragen?! Maar hij geloofde dat God het goed zou maken, hoe dan ook. En Abraham gehoorzaamde. En God zorgde dat het goed kwam. Wie gelooft, komt zeker niet bedrogen uit.

Geloven is niet hetzelfde als een mening of overtuiging hebben. Geloven betekent dat je je toevertrouwt aan de Heere Jezus Christus. Door dit geloof word je gered. Zeker weten!